De structuurvisie en de spontane stad, gaat dat samen?

Maandagavond heb ik in het kader van de presentatie van de ontwerp-structuurvisie van de gemeente Alphen aan de Rijn een verhaal gehouden over hoe die visie gebruikt kan worden als uitnodiging aan de bevolking om zelf initiatief te tonen.  Het concept spontane stad dat in de structuurvisie is opgenomen was de kapstok waaraan ik dat verhaal heb opgehangen. In de discussie over spontane stad (synoniemen: bottom-up stadsontwikkeling, organische ontwikkeling) ligt de nadruk op het loslaten van regie door gemeenten en het opruimen van belemmeringen in de gangbare regelgeving en planprocedures. In Alphen ging het over de bredere vraag die daaraan vooraf gaat: hoe je in het ruimtelijk beleid en de bestuurscultuur je inwoners tot dat type initiatieven inspireert. Want de spontane stad ontstaat niet vanzelf en met loslaten alleen kom je er niet.  Het is vooral de continue wisselwerking tussen gemeentebestuur en de inwoners die er toe doet.

De basisvraag is of een gemeente die de filosofie van spontane stad omarmt wel een structuurvisie moet maken. Zou je niet moeten kiezen voor een radicale planloosheid? Nog los van de wettelijke verplichting zou ik willen zeggen: juist een structuurvisie kan gebruikt worden als instrument om met je bewoners de toekomst van de stad vorm te geven. Als het maar voldoende speelruimte biedt, mobiliserend werkt en dichtbij de leefwereld van de  inwoners staat. Daar maakt Alphen mooie aanzetten toe maar daar valt, net als in de overgrote meerderheid van gemeenten in Nederland, nog veel te winnen. Drie belemmeringen voor een cultuur van spontane of organische stadsontwikkeling blijken tamelijk hardnekkig in de Nederlandse bestuurscultuur. Laten we ze eens langslopen.

Koekoeksklokparticipatie

Het werk aan de structuurvisie van Alphen was eind 2010 gestart met ‘de week van de structuurvisie’ waarin een intensieve dialoog met bewoners en bedrijven was georganiseerd. Het nobele voornemen was om daarna door te pakken en de energie vast te houden. Dat lukte maar ten dele omdat het altijd anders loopt dan je bedenkt. Een voorgenomen fusie met de gemeenten Boskoop en Rijnwoude kostte veel aandacht en riep de vraag op in hoeverre een eigen structuurvisie nog relevant was. En gaandeweg kwam men ook tot het besef dat de structuurvisie een vehikel zou moeten zijn in de omslag naar een duurzame (‘bio-based’) economie. Maar dat zat weer niet zo sterk in de aanvankelijke discussie. Door dit alles ligt er ruim twee jaar later een ontwerp voor de structuurvisie waarin ambities staan die herkenbaar moeten zijn voor de deelnemers van de dialoog uit 2010 maar ook die dat veel minder zijn. En hoewel er tussentijds over een ambitiedocument nog een dialoog heeft plaatsgevonden moet de betrokkenheid van de inwoners weer opnieuw worden georganiseerd, nu in ‘de week van morgen’.

Onbedoeld is de gemeente dicht in de buurt gekomen van de valkuil waar in heel veel gemeenten in wordt gestapt: die van de koekoeksklokparticipatie. De gemeente komt naar u toe, dan gaat het deurtje weer langdurig dicht en dan komt het vogeltje weer even naar buiten. Zo’n cultuur is dodelijk voor de spontane stad een ook absoluut niet meer van deze tijd. De spontane stad vergt een continue wisselwerking tussen gemeentebestuur en samenleving en juist als het spannend wordt (zetten we het door nog voor de gemeentelijke herindeling een feit is, maken we alsnog een  offensieve duurzaamheidsagenda?) moet je die dialoog opzoeken. Dan voelen inwoners zich partner i.p.v. doelgroep.  Het stadhuis en zeker de tekentafel van de planologen moeten zich figuurlijk en als het even kan letterlijk op straat bevinden. Dat is de spontane stad in optima forma.

Dat helpt ook om denken en doen dichter bij elkaar te brengen. Veel mensen voelen zich niet uitgedaagd door een dialoog over de toekomst maar willen concreet aan de slag gaan. Zo bleek in Alphen de uitnodiging om samen een moestuin in de stad te maken veel enthousiasme los te maken en blijkt het daarentegen lastiger mensen de zaaltjes in te krijgen. Werken aan de spontane stad is dus ook een kwestie van steeds weer concrete speldenprikken uitdelen zodat er geen grote afstand ontstaat tussen het denken en het doen. De charme van organische stadsontwikkeling is nu juist dat het vaak om kleine initiatieven gaat die weinig beleid of planvoorbereidingstijd nodig hebben. Benut die kracht dan ook volop.

Mooie beelden en verhalen die geen snaar raken

Ik heb  de structuurvisie met genoegen gelezen omdat de toon me beviel: de inzet op een biobased economy, de mix van stedelijkheid en dorpsheid en het gevoel voor de kleine ingrepen in de openbare ruimte. Maar ik besef ook dat wat ik las meer de tijdgeest in ruimtelijk Nederland en de belevingswereld van ruimtelijke professionals weerspiegelt dan de zorgen en wensen van de inwoners van Alphen.
Verantwoordelijk wethouder Tseard Hoekstra vertelde openhartig dat hij reacties op het verhaal kreeg in de trant van ‘het zijn gemeenplaatsen waar je niet tegen kunt zijn’. Heel herkenbaar want dat is kenmerkend voor bijna alle structuurvisies die ik ken. Ze zijn inhoudelijk gladgestreken in de vorm van wervende verhaallijnen, slogans en beelden.  Wil je een snaar raken bij mensen dan moet je hun eigen kleine verhalen opzoeken en bouw je je ambities en het grotere verhaal daaromheen. De meeste structuurvisies missen verhalen van mensen van vlees en bloed en komen daarom slecht tot leven. Een voorbeeld kan worden genomen aan de gemeente Best waar ze ‘storytelling’ hebben geïntegreerd in het beleid en in de dialoog met instellingen en inwoners.
Uit die verhalen kun je  samen een nieuw gedeeld verhaal te maken. Een structuurvisie zou feitelijk zo’n verhaal moeten zijn. Met zo’n benadering waarbij iedereen ‘medeplichtig’ wordt gemaakt aan het nieuwe verhaal van de stad heeft bijvoorbeeld Amsterdam ervaring opgedaan.
Ook zou het van lef getuigen om de spanningen, dilemma’s en controverses in het ruimtelijk beleid gewoon zichtbaar te maken. Dan raak je eerder een snaar bij mensen die maar al te goed weten wat er speelt dan de verhalen die van iedere spanning zijn ontdaan. De wethouder merkte op dat er wel degelijk spannende keuzes zijn gemaakt maar dat dit niet expliciet in het verhaal staat. En daar zit ‘m nu juist de kneep. Zeg nu zelf waar u eerder warm voor loopt: intekenen op een algemene visie waar je eigenlijk niet tegen kunt zijn of meewerken aan reële dilemma’s, sluimerende conflicten en lelijke plekken waar je handen van jeuken?

Wachten op de spontane initiatieven

De pleitbezorgers van de spontane stad-benadering (waar ik mijzelf toe reken) roepen al snel dat het wemelt van burgerinitiatieven en creatief ondernemerschap en dat je als gemeente vooral moet loslaten en/of faciliteren. Maar de aansprekende voorbeelden die worden doorverteld komen vooral uit de grotere steden. In kleinere gemeenten zoals in Alphen wordt weinig van die spontaniteit ervaren. Het ontbreken van een stedelijke cultuur met een grote creatieve klasse en het karakter van forensengemeente zouden daar debet aan zijn. Begrippen als spontaan, bottom up en organisch werken hier echter verhullend omdat ze suggereren dat de spannende initiatieven vanzelf opkomen. Ook in de grote steden zijn bottom-up initiatieven vaak nog kwetsbaar, tijdelijk en op zoek naar een verdienmodel. Spontaniteit heeft dus wel een duwtje in de rug, verleiding en verbinding nodig. Het is het vooral de kwaliteit van de wisselwerking tussen inwoners, bedrijven en de gemeente die bepaalt of er initiatieven komen en of ze iets moois kunnen opleveren.

Voor Alphen aan de Rijn en vergelijkbare gemeenten lijken me twee wegen perspectiefvol. Allereerst kan de inzet op duurzaamheid en een ‘biobased economy’ goed gedijen op een groeiende maatschappelijke onderstroom.  Het moet mogelijk zijn om een lokale beweging voor duurzaam ondernemerschap los te weken door met een kleine groep voortrekkers te beginnen en de kring te blijven vergroten. De ondernemer van morgen is niet in de eerste plaats iemand die het leuk vindt om een eigen bedrijf te starten maar iemand die zich verbonden voelt met een maatschappelijke beweging die dingen wil veranderen. Dat geldt zeker voor een thema als duurzaamheid.

Daarnaast is het reëel  te veronderstellen dan veel kleine ondernemers en vernieuwers (zeker in deze tijd) niet op eigen kracht een levensvatbaar bedrijfsconcept realiseren. Laat staan dat ze  winkels en bedrijfspanden gaan huren of kopen. Gevolg: heel hard sleuren voor gemeenten om leegstand in de klauw te houden. Gemeenten zouden zich moeten specialiseren in het bij elkaar brengen van initiatieven die verrassende combinaties opleveren. Denk aan wonen met hotelfunctie of overdag gymzaal en s’avonds buurthuis of een combinatie maken van bedrijfsverzamelgebouw, crèche en dagbesteding. De gemeente die dit kruisbestuiven en combineren het slimst organiseert  zal zien dat de spontane stad werkelijk tot leven komt. Niet in de laatste plaats omdat alleen al deze ontmoetingen tot onverwachte nieuwe initiatieven zullen leiden.

De paradox is dat de spontane stad juist tot leven komt door een zeer actieve rol van de gemeente. Daar past een belangrijke kanttekening bij. Mijn ervaring is dat gemeenten gewend zijn om steeds 1 op 1 alle initiatieven van burgers en bedrijven tegemoet te treden. En ook bij het afwegen van belangen is de gangbare praktijk dat de gemeente apart overlegt met ontwikkelaars, lokale organisaties, boze buurtbewoners en de (potentiële) ondernemers. Die rol van spin in het web is niet goed voor de spontane stad. Spontaniteit verdraagt zich slecht met het steeds weer terugleggen van vragen naar de gemeente terwijl men het samen zou kunnen oplossen. Het is juist de kunst om arena’s en netwerken te bouwen waar die belangen elkaar  ontmoeten en het ook even goed mag knetteren. De gemeente is dan aanjager en verbinder en waar nodig bemiddelaar of scheidsrechter.

 Zes hefbomen voor de spontane stad

Hierboven hebben we niet op de gangbare manier (ruimte in regels en plansystemen maken voor spontane initiatieven) naar de spontane stad gekeken maar vanuit de bredere vraag hoe je ruimtelijke beleid en bestuurscultuur  uitnodigend maakt voor initiatieven vanuit de bewoners en de bedrijven. Bij het bespreken van drie gangbare blokkades voor de spontane stad zijn een aantal adviezen langsgekomen die het waard zijn om nog even onder elkaar te zetten.

1- Zorg voor een continue wisselwerking tussen gemeente, burgers en bedrijven ipv ‘koekoesklokparticipatie’. Het  stadhuis is op straat en de tekentafel is van iedereen.
2- Integreer het denken en het doen. Ga gelijk aan de slag met kleine speldenprikken die symbool staan voor de gewenste toekomst en die mobiliserend werken op mensen die graag de handen uit de mouwen steken.
3- Gebruik de kracht van ‘storytelling’: je ruimtelijke visie bouwen rond de verhalen van mensen van vlees en bloed en samen werken aan nieuwe verhalen.
4- Zoek de spanning op door  dilemma’s en potentiële conflictstof open op tafel te leggen en zoom in op plekken waar het flink schuurt. Dan raak je een snaar en heb je een mooie basis voor het uitnodigende motto: alleen ga je sneller, samen kom je verder.
5- Lok initiatieven uit door ontmoetingen tussen ondernemende mensen te organiseren en vooral door met hen te zoeken naar nieuwe combinaties van functies.
6- Bouw arena’s en lokale netwerken waarin de gemeente fungeert als aanjager, verleider of bemiddelaar in plaats van spin in het web. Dus niet zelf alle relaties onderhouden en niet zelf alle spanningen proberen te managen.

Ik ben er van overtuigd dat niet alleen Alphen aan de Rijn maar heel veel gemeenten iets hebben aan deze principes. Zo werken we aan een ruimtelijk beleid dat werkelijk uitnodigend is en zo zien we eerder de contouren van de spontane stad opdoemen.

 

 

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*