een tochtige betonplaat als huiskamer van de stad

Stel, je woont in een van de meest progressieve steden van Nederland, zowel qua cultuur als politieke verhoudingen. Je weet uit analyses van de economische- en bankencrisis en het klimaatdebat dat het wezenlijk anders moet in de stedenbouw. Niet meer bouwen voor vastgoedbubbles, minder afhankelijk worden van banken, beleggers en ontwikkelaars, radicaal kiezen voor een circulaire economie en een groene klimaatadaptieve stad. Voor een rechtvaardige stad met minder afstand tussen mensen met veel en weinig kansen. En voor zeggenschap van mensen over hun eigen stad en leefomgeving.

Dat treft, want in diezelfde stad hanteert het gemeentebestuur als filosofie om de stad samen met de bevolking te maken en wordt er ook op veel plekken gepoogd om bewoners, lokale initiatiefnemers en zelfbouwers wat meer de wind in de rug te geven. Wat daarbij helpt is dat het de stad met het hoogste opleidingsniveau van het land is met heel veel kleine ondernemers. De stad heeft ook de luxe om scherpe keuzes te maken want ze is zeer gewild om in te wonen, werken, verblijven en investeren.
In diezelfde stad heeft de gemeentelijke Rekenkamer recent de grote financiële problemen met het muziekcentrum laten onderzoeken waar klip en klaar uit naar voren komt dat vastgoed ontwikkelen behoorlijk los kan groeien van de wereld waar het eigenlijk voor bedoeld is en die wereld opzadelt met onbetaalbare exploitatielasten.

Wanneer het gemeentebestuur van die stad, Utrecht, maart 2016 met een ruimtelijke strategie naar buiten komt dan zou je op grond van het voorgaande ongeveer de volgende tekst kunnen verwachten:

Het gemeentebestuur presenteert met trots de ruimtelijke strategie voor Utrecht voor de komende jaren. De strategie is een coproductie van de gemeente met burgerpanels die, ondersteund door maatschappelijke organisaties, ambtenaren, experts en ondernemers, zowel naar de stad als geheel als naar afzonderlijke gebieden en wijken hebben gekeken.
We nemen afscheid van de oude programmatische manier van stadsontwikkeling die een te zware wissel heeft getrokken op de stad,  denk aan de overprogrammering in het stationsgebied, de grote financiële problemen bij TivoliVredenburg, de problemen rond het centrum van Leidsche Rijn en de permanente bouwputten.

We kiezen radicaal voor een ontspannen, organische manier van stadsontwikkeling samen met de inwoners en  de duizenden initiatiefrijke (maatschappelijk) ondernemers die de stad rijk is. Uitgangspunt is het geluk van de stedeling, een hoge kwaliteit van de openbare ruimte en een menselijke maat.  Die organische manier van werken is het enige antwoord op een snel veranderende samenleving waar elke oplossing die je vandaag bedenkt morgen achterhaald kan zijn.  De recente toestroom van vluchtelingen laat zien dat je speelruimte moet hebben voor snelle creatieve oplossingen. En deze manier van ontwikkelen vermindert de afhankelijkheid van institutionele financiers (beleggers, ontwikkelaars, banken, hedgefunds) aanmerkelijk. We bouwen met en voor de (eind)gebruikers en werken alleen met ontwikkelaars met een binding met de stad.

 Om die basis nog te verstevigen zijn we met het in deze stad gevestigde Sustainable Finance Lab een project gestart om nieuwe, duurzamere vormen van financiering voor vastgoed en openbare ruimte te ontwikkelen die niet gebaseerd zijn op een economie van schulden en verspilling. Uitgangspunt is een geleidelijke en meervoudige waardecreatie. We gaan ook werken met buurt- en burgerbegrotingen om de financiële basis onder lokaal initiatief te versterken.

We stoppen met het bouwen van  winkels en kantoren waar geen reële vraag voor is. Er staat nog te veel leeg, de digitalisering van de economie zal doorzetten en de omslag naar een circulair economie vermindert de behoefte aan kantoren en winkels. Met de partners in het Stationsgebied zijn we in onderhandeling om (zoals in 2002 door de Utrechtse bevolking uitgesproken) veel meer in te zetten op een groene (woon)omgeving in het Stationsgebied. Eerste successen:  Corio/Klepierre ziet af van de geplande uitbreiding van Hoog Catharijne bovenop het nog uit te graven deel van de Catharijnesingel. Tevens hebben we kantoorpanden geschrapt die nog voor de westkant van het spoor waren gepland.

We gaan er ook voor zorgen dat de bewoners van de omliggende wijken veel meer betrokken worden bij, en profiteren van investeringen in dit gebied, qua kansen op werk en wonen, prettige leefomgeving en doorbreken van isolement. We willen geen tweedeling tussen een duur ‘businessdistrict’ en wijken met grote sociale problemen daar vlak naast.
We zetten vol in op hergebruik van leegstaand vastgoed en zullen niet langer accepteren dat vastgoedeigenaren daar onvoldoende aan meewerken.
Waar we gaan bouwen doen we dat consequent vanuit de principes van klimaatadaptie, duurzaamheid en circulair gebruik van grondstoffen.

Voor verschillende gebieden gaan we gebiedsateliers inrichten waar de stadsbewoners  ondersteund door ontwerpers en de gemeente kunnen werken aan geweldige plekken in de stad. We gaan gebieden in de stad, groot en klein, met hen ontwikkelen en zetten groot in op zelfbouw, niet alleen voor woningen maar ook voor de openbare ruimte, werkplekken en winkels.
We gaan samen met studenten, (andere) jongeren en onderwijsinstellingen deze filosofie ook toepassen op de huisvesting van starters en studenten. Er zijn veel signalen dat we te eenzijdig inzetten op het bouwen van kleine woningen voor deze groep. Dat kan en moet intelligenter, flexibeler en met een beter oog voor demografische ontwikkeling.

Dit alles gaat ons lukken, wanneer je alle kennis, betrokkenheid en ondernemerschap van de Utrechters bundelt en hen het eigenaarschap voor de eigen stad laat voelen is alles mogelijk.”

Helaas is dit geen tekst uit de ruimtelijke strategie die het college recent heeft vastgesteld. Hier de echte versie, zoek de verschillen. Dat is nog best lastig want  het is een verhaal dat is opgehangen aan het begrip gezonde verstedelijking/’healthy urban living’ zonder dat altijd duidelijk is wat dit inhoudt, waarop dan wordt bijgestuurd of wat de praktische consequenties daarvan zijn. Een paar conclusies kunnen we wel trekken:

1 – Voor de stad, zonder de stad
Het verhaal is niet samen met de bewoners van de stad gemaakt, noch wordt er ingezet op het (mede-)eigenaarschap van bewoners voor de verdere invulling. Er is zegge en schrijven 1 bewonersavond (‘stadsgesprek’) geweest. Ik was er die avond bij en heb er het verslag nog eens op nageslagen. Met de resultaten daarvan is niets zichtbaars gedaan, er wordt niet eens naar verwezen. Dat is jammer want daar sprak wel wat meer elan uit over samen stad maken:
“Maak de ruimtelijke strategie van de bewoners door een pingpong proces”, “Blijf je methodes ontwikkelen om met de stad in gesprek te blijven / komen”, 
“Luister ook naar andere groepen dan de “usual suspects”!”

In het hoofdstukje onder de veelbelovende kop ‘Utrecht maken we samen” gaat het daar eigenlijk niet over. Dat gaat over de zich terugtrekkende overheid die ruimte maakt in regelgeving en procedures voor initiatiefnemers in de stad. Een hele goeie zaak in lijn met wat er al in de stad beweegt maar wel met een risico. De ruimte die een zich terugtrekkende overheid biedt wordt doorgaans  ingevuld door marktpartijen met invloed en geld en juist niet door initiatiefnemers die minder gehaaid zijn. Daarom moet je ook veel consequenter inzetten op  versterken van de positie van bewoners en lokale initiatiefnemers: hen mede-eigenaar maken van je strategie en keuzes plus de speelruimte in je regelgeving reserveren voor (eind)gebruikers die zelf willen ontwikkelen en investeren.
Het enige structurele samenwerkingsverband dat wordt voorgesteld is een ‘ontwikkelingsplatform’  met marktpartijen met als doel een publiek-private investeringsstrategie ontwikkelen.  Dus niet blijven ping-pongen met de bewoners maar wel met de (bouw)markt.

2- Bouwlust in plaats van organisch ontwikkelen 
Bij het stadsgesprek is door velen gepleit voor een organische aanpak van de stadsontwikkeling. Enkele citaten uit het verslag:

  • Kies voor een organische ontwikkeling waar het kan (accupunctuur, bottom-up)”
  • Plannings- en maakprocessen houden de verandering in gedrag niet meer bij.”
  • Niet alles is op de tekentafel te voorzien. Wees daarom flexibel,
  • Diversiteit werkt het beste van onderaf en met dingen die meerdere functies tegelijkertijd hebben.

Die benadering vind je niet terug in de ruimtelijke strategie.  Woorden als organisch en geleidelijk komen er niet in voor. De (voorziene of gewenste???) groei naar 400.000 inwoners maakt haastig en de planningsmachine draait weer volop. Opvallend is dat die organische aanpak wel centraal stond in de ruimtelijke strategie die in 2012 door de gemeenteraad is vastgesteld en daar werd toch ook al gesproken over een groei naar 400.000 inwoners.  Twee citaten daaruit:
“Maatschappelijk draagvlak is een uitgangspunt. Dat betekent minder focus op nieuwe grootschalige ontwikkelingen, benutten van mogelijkheden om snel in te spelen op wensen van de inwoners en waar mogelijk organische ontwikkeling van de stad met benutting van bestaande ruimtelijke kwaliteit.” “Bij het ontwikkelen van nieuwe binnenstedelijke locaties wordt in eerste instantie gedacht aan ontwikkelingen op de as Uithof – Binnenstad – Leidsche Rijn (2e fase Stationsgebied, Merwedekanaalzone). Gekozen wordt voor een zoveel mogelijk organische ontwikkeling (versterking van bestaande stedelijke structuren en kwaliteiten, functiemenging).

Wat is het wezenlijke verschil tussen 2012 en 2016? Het geld van de investeerders klotst weer tegen de dijken en de bouwlust is groot. Feitelijk zegt het gemeentebestuur met het loslaten van deze organische benadering: dat was leuk voor de crisis maar nu gaan we gewoon weer op de oude manier ontwikkelen. Dit is echt de grootste misser in deze ruimtelijke strategie waar we enorme spijt van gaan krijgen. We storten ons weer in haastig bouwen met alle problemen van dien: bouwen voor leegstand, eenvormige seriebouw, openbare ruimte als restruimte,  afhankelijk van het grote geld, hoge plankosten, afwentelen van kosten, niet duurzaam en circulair bouwen etcetera. Neem toch de tijd om dat stad met wijsheid verder te ontwikkelen. Zelfs bij grote ambities kun je met succes organisch ontwikkelen en met meer liefde voor de stad dan doorgaans gebeurt. Ik dit verhaal dat ik over het stationsgebied schreef laat ik ook zien dat dat ook daar had gekund en nog steeds kan.

3- Publieke ruimte als restruimte
De nota zet in op verdichting en stedelijkheid met een hoge kwaliteit van bouwen en openbare ruimte. De steeds terugkerende woorden kwaliteit, ontmoeting en gezond wekken de suggestie dat hier groots op in wordt gezet.  Dat is ook in lijn met de geluiden uit het stadsgesprek. Uit het verslag: “Als je wil verdichten, regel de openbare ruimte dan knettergoed en integraal”.

Maar waar de tekst concreter wordt zie ik er te weinig van terug. Het tochtige betonnen plateau voor de ingang van het stadskantoor wordt ons ten voorbeeld gesteld als een potentiele ‘huiskamer van de stad’. Het is vast goed bedoeld dat idee van zo’n huiskamer, maar er wordt hier pijnlijk zichtbaar dat de publieke ruimte toch in de eerste plaats de restruimte is tussen de hoogbouw. En er wordt openlijk toegegeven dat een van de belangrijkste doelstellingen voor een gezond leefklimaat (veel groen) niet gerealiseerd wordt in het dichtbebouwde Stationsgebied en de Merwedezone. Waarom eigenlijk niet? Een treurig idee dat je de woon- en verblijfsruimte van mensen niet hoeft te vergroenen  als je groene plekken aan de rand van de stad hebt! En hadden we in 2002 niet bij een referendum gekozen voor een groene stationsomgeving??!! Er wordt ook openlijk gesproken over een lager kwaliteitsniveau door verdichting: “elders in de stad ontstaat daardoor ruimte om bij het verder ontwikkelen van de stad vooral kwalitatieve uitgangspunten te hanteren en in mindere mate stedelijke productiedoelstellingen.” Let wel, we hebben het heir over een heel groot gebied ten westen van het stationsgebied tot voorbij het Merwedekanaal dat in de strategie wordt gepresenteerd als het uitgebreide centrum van de stad, en waar we dus gaan bouwen voor ‘productiedoelstellingen’.
Dit is dus niet het ambitieniveau van ‘knettergoeie’ openbare ruimte, daar zijn we in Utrecht gewoon niet goed in. Alle reden om het werken aan fantastische openbare ruimte die meer is dan de restruimte van bebouwing een hoge prioriteit te geven. Ook dat vereist dat je je stad en gebieden daarbinnen organisch ontwikkelt samen met je inwoners.

4- Tweedeling in de stad versterkt
Het grote verschil tussen de nieuwe, behoorlijk grote ontwikkellocaties (het uitgebreide centrum van de stad) en de rest van de stad zien we ook terug bij de sociale verhoudingen. Er wordt gesteld dat de sociale ongelijkheid moet worden tegengegaan maar vervolgens lees je: “de (blijvende) druk op de woningmarkt leidt daardoor zowel tot een toenemende vraag naar centrumstedelijke woningbouw voor met name hoger opgeleiden als tot een blijvende vraag naar goedkopere woningen voor (startende) gezinnen op plekken buiten het centrum.” En daar lijkt de gemeente op basis van dit verhaal niet op te willen bijsturen. Er staat impliciet dat we dichtbij het centrum vooral gaan bouwen voor de hogere inkomensgroepen en dat de lagere inkomens hun heil elders moeten vinden. De nieuwe ontwikkellocaties heten ook geen wijken en buurten want dat is een heel andere categorie stad waar blijkbaar andere normen en ambities voor gelden.  Onder het kopje wijken en buurten staat: “Door stevig in te zetten op een beperkt aantal verdichtingslocaties is er op andere plekken, met name Overvecht en Kanaleneiland, meer ruimte om te kiezen voor de specifieke opgaven van de eigen omgeving en de sociale problematiek en nieuwbouwinitiatieven in dat licht te bezien.”
In dit alles klinkt door dat de gewenste centrumstedelijke woonmilieus in het Stationsgebied en de Merwedekanaalzone  en de wereld van wijken en buurten (daaromheen) als twee volkomen verschillende zaken worden beschouwd. De ruimtelijke tweedeling in de stad wordt op deze manier harder aangezet.

5- De boodschap dat het echt anders moet ontbreekt
De oude manier van de stad ontwikkelen wordt in het geheel niet geproblematiseerd. Noch wordt ambitieus ingezet op een radicale transitie. Dat is niet alleen jammer omdat de ambities op papier wel wat scherper hadden gemogen maar ook omdat er veel gebeurt buiten de papieren werkelijkheid om. Het is dan wel zo fijn dat iedereen doordrongen is van de boodschap: zo zouden we dat niet meer doen!  Maar die boodschap wordt dus niet afgegeven met alle gevolgen van dien.  Ik ben redelijk thuis in de plannen van de gemeente maar ben iedere keer weer verrast als er een bericht over weer een nieuwe toren in de stad verschijnt: de nieuwbouw van  van der Valk /,  een giga zakencentrum pal voor het nieuwe stadskantoor, een woontoren op de Sijpesteijnkade, een woontoren op het Smakkelaarsveld  en hoogbouw langs het Merwedekanaal.
Deze snelle opeenvolging van bouwplannen lijkt meer te maken heeft met de korte termijn investeringskansen die de markt ziet en de bouwlust van de gemeente dan met goed afgewogen publieke belangen en de lange termijnontwikkeling van de stad. Helaas wordt het debat hierover altijd weer verengd tot de vraag of ‘provinciestad Utrecht hoogbouw aandurft’ terwijl de interessantere vraag is of we hier een superfijne stad aan het maken zijn, die niet steeds een grote bouwput is, respectvol omgaat met de bestaande stad, duurzaam en rechtvaardig is en die voelt als van onszelf. Hoogbouw kan daar zeker bij helpen maar is geen doel op zich.

Even een disclaimer:  er staan ook veel goede dingen in het verhaal. Ik heb deze fundamentele punten er uit gelicht omdat ik vind dat het daar echt mis gaat. En die punten zitten toch verstopt onder veel algemeenheden en modieuze taal. Mijn conclusie: geen inzet op de broodnodige transitie, het gemeentebestuur gaat verder op de oude weg: stadsontwikkeling topdown in nauw samenspel met bouwers en investeerders, niet de rust nemen om de stad organisch te ontwikkelen maar zo snel mogelijk bouwen, de kwaliteit van de publieke ruimte daaraan ondergeschikt maken en verscherping van de tweedeling voor lief nemen.

Waarom is deze cultuur zo hardnekkig?
Simpel gezegd hebben de marktpartijen en het gemeentebestuur elkaar de afgelopen 25 jaar gevonden (daarin is Utrecht bepaald niet uniek in) in een grote bouwlust, de meest tastbare vorm van daadkrachtig lokaal bestuur, aangewakkerd door een ideologie van groei-, markt- en rendementsdenken. Vastgoed en grond als handelswaar, de gemeente als projectontwikkelaar, competitie tussen steden, de stad dienstbaar maken aan het vestigingsklimaat van bedrijven.

De ontwikkeling van het stationsgebied  van Utrecht is daar een extreem voorbeeld van en laat ook zien wat daarin mis gaat. Zie dit filmpje uit 2011 waarin gereconstrueerd wordt hoe het kan dat er zo weinig is gedaan met de uitkomst van het referendum uit 2002 en hoe ondoorzichtig er besloten is om winkelcentrum Hoog Catharijne  uit te breiden bovenop de nog uit te graven Catharijnesingel.

En lees deze korte reconstructie van een voormalig raadslid hoe het kan dat de exploitant van Hoog Catharijne ook het recht kreeg om het centrum van Leidsche Rijn te ontwikkelen met alle problemen van dien.  Het eerder genoemde Rekenkamerrapport over de problemen met TivoliVredenburg is ook het lezen waard en daar stuit je op exact dezelfde  ellende van grootschalige stadsontwikkeling losgezongen van de gebruiker.

Hoopvolle signalen uit het bedrijfsleven
Gelukkig zijn er in deze wereld ook ondernemers die sneller dan de overheid lijken door te hebben dat de tijden echt veranderd zijn en deze cultuur willen doorbreken. De drie jaar geleden aangetreden directeur van de Jaarbeurs, Broeders, heeft  zich bij zijn aantreden verbaasd over het monopolyspel dat in het stationsgebied wordt gespeeld. Ik citeer hem:

“Met tienduizenden vierkante meters grond voor herontwikkeling, strategisch aangedikt met de aankoop van een aantal woonblokken tegenover het complex, werd de Jaarbeurs een vastgoedspeler. Broeders besloot het roer om te gooien en terug te gaan naar de kern van het werk van de Jaarbeurs en het nut van de grond voorop te stellen. Dat kwam hem op  een boze brief van een oud-bestuurslid te staan: “Je geeft miljoenen weg aan projectontwikkelingsgeld.” Broeders: “Maar die fase zijn we door. We willen een maatschappelijk doel realiseren.” (Hier de bron, onder het kopje:’Jaarbeurs laat vastgoedwinst liggen’).

En afgelopen week las ik dit pleidooi van een een bankier van de Rabobank voor de omslag van een groei-economie naar ‘circulaire stagnatie’. Met stagnatie doelt hij op de aarde niet kapot blijven maken door fixatie op groei. Die eerlijke boodschap dat we op de verkeerde weg zijn en maatschappelijke doelen ondergeschikt zijn gaan maken aan de jacht op groei en rendement zou ik graag eens van mijn eigen gemeentebestuur horen.

En nu de gemeenteraad
De vraag die zich opdringt is of de gemeenteraad van deze stad hierin geen tegenspel biedt. Uit de reconstructies van diverse affaires wordt duidelijk dat die op cruciale momenten buitenspel zijn gezet en genoegen nemen met bescheiden bijsturing (het uitgebreide winkelcentrum boven de Catharijnesingel krijgt bijvoorbeeld een glazen vloer op aandringen van de raad).

Begin 2014 mocht ik een verkiezingsdebat met 8 politieke partijen over de toekomst van het Stationsgebied voorzitten. Iemand uit de zaal vroeg de aanwezige politici of het niet eens tijd werd om het projectbureau van het stationsgebied (POS) op te heffen waarin de gemeente met Corio (inmiddels overgenomen door het Franse bedrijf Klepierre) , Jaarbeurs NS en ProRail het stationsgebied ontwikkelt en dat als een zelfstandig koninkrijk functioneert. Alle aanwezige partijen bleken het daarmee eens, met de motivering dat de raad te vaak buitenspel is gezet. Maar uiteindelijk is alles op de oude voet verder gegaan.

Ik ben zelf een van de mensen achter een collectief dat nu ruim 2 jaar in de stad functioneert onder de naam Utrechtse Ruimtemakers en probeert de gemeente te bewegen meer te gaan werken met initiatiefnemers in de stad. Najaar 2015 organiseerden we met de  gemeenteraad een conferentie over wat we maatschappelijke gebiedsontwikkeling noemen.
Mede op basis van de uitkomsten van die conferentie hebben D66 en Groen Links een motie voorbereid waarin ze vragen om een wezenlijk andere manier van stads- en gebiedsontwikkeling.  Ik denk dat deze ruimtelijke strategie voldoende aanleiding geeft om daarop door te pakken en die motie ook in te dienen. Ik hoop vurig dat de gemeenteraad drie dingen doet:

  • Vaststellen dat het anders kan en moet en dat de stad alles in zich heeft om een radicale transitie in stedelijke ontwikkeling tot een groot succes te maken;
  • eerlijk te zijn in de constatering dat het heel lastig is hoe je dat precies doet;
  • alle kracht in de stad mobiliseren om daarbij te helpen.

Dan kom ik graag daarbij helpen,  zelfs als dat moet in die tochtige huiskamer voor het stadskantoor.

 


Reacties

  • Paul de Bruijn schrijft op 31 maart 2016

    Hardleers. Meer kan ik er niet van maken.
    Gespeend van enige maatschappelijke betrokkenheid, vastzittend in de nadagen van neo-liberaal rendementsdenken.

    In een stad wordt handelswaar gekocht en verkocht, maar de gemeente Utrecht, en vele andere gemeenten (blind van geld en zwetend om van hun aangekochte grondcasino af te komen) maken de stad en haar inwoners zelf tot handelswaar.

    Dat is niet alleen een maatschappelijk bedenkelijke route, maar uiteindelijk ook een doodlopende route van nog meer schulden, tweedeling, verzakelijking en commercialisering van de openbare ruimte.

    Ik hoop echt dat Arnhem van deze werkwijze verlost is. De eerste tekenen zijn bemoedigend. Mét de stad maak je de stad. Dan worden inwoners weer ‘eigenaar’ van hun buurt. En dat zie je. Dat voel je!

    Ik wens de Utrechtse gemeenteraad veel wijsheid en doorzetting om deze zinloze bouwmachine te temperen, en dienstbaar te maken aan de stad en haar inwoners.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*