11 november 2015

Door Frans Soeterbroek

Reacties

1 reacties

Tags
, , ,

Zeg het voort

De stad als bouwmarkt

Komend voorjaar is het twee jaar geleden dat er nieuwe gemeenteraden en colleges aantraden in de steden en vele liefdesverklaringen werden afgegeven aan het samen stad maken met de bevolking. Sindsdien is er veel steden een tandje bijgeschakeld op het vlak van participatie en ondersteunen van lokaal initiatief. Daarvoor hulde.Wat nauwelijks is gebeurd is de wrijving opzoeken met de traditionele manier van stadsontwikkeling. En dat is vreemd want die wordt gekenmerkt door een een-tweetje tussen overheid en grote marktpartijen, waarbij de stad vooral wordt gezien vanuit een economisch model: competitie tussen steden, gunstig vestigingsklimaat, dynamische vastgoedmarkt en aanzwengelen van de bouwmachine.

Ik zie drie hardnekkige fenomenen die in hun combinatie het beeld van de stad als markt in stand houden en de publieke zaak uithollen.

De overheid als ontwikkelaar
Allereerst hebben overheden de afgelopen 25 jaar geleerd te denken en handelen alsof ze zelf marktpartij zijn. Onschuldig ogend zinnetjes als ‘samen met de andere grondeigenaren een gebiedsexploitatie opzetten’ en ‘dit gebied vraagt om programma’ getuigen van een rolopvatting als ware de gemeente zelf ontwikkelaar die net zo denkt en handelt als marktpartijen. Strategische plekken in de stad worden in deze rolopvatting behandeld als te dure grond om er ‘leuke dingen voor de mensen te doen’. In dit rendementsdenken worden publieke taken en bouwplannen op een wijze georganiseerd en in de markt gezet dat alleen grote marktpartijen en partijen met grote financiële instellingen achter zich daar een rol in kunnen spelen.
Ook op andere terreinen komen we dat marktdenken tegen: gemeentelijk vastgoed primair zien als marktgoed en pas secundair als collectief goed, beheer van de publieke ruimte langjarig in handen geven van marktpartijen, de binnenstadsaanpak verengen tot winkel- en detailhandelbeleid. Dit alles roept veel cynisme op bij actieve bewoners en lokale initiatiefnemers die oplopen tegen gemeentelijke diensten waar het publieke belang en een dienende rol naar burgers niet voorop lijkt te staan.

Publiek privaat huwelijk
In het verlengde hiervan komen we op een tweede fenomeen: de lokale dienst stadsontwikkeling of stedenbouw is wel heel innig met ontwikkelaars, bouwbedrijven en grote investeerders in de stad. Dat zie je terug in de netwerken en platforms waar men een gezamenlijk taal ontwikkelt en koestert van de stad als competitieve (vastgoed)markt. Zo wil mijn gemeente Utrecht een platform voor stedelijke ontwikkeling opzetten met grote instituties, bouwbedrijven, projectontwikkelaars en mensen als Pieter Tordoir en Friso de Zeeuw, experts die goed bij dit discours passen. Op uitvoeringsniveau zie je die innigheid terug in het opzetten van gebiedsontwikkelingsmaatschappijen waarin gemeente en grote marktpartijen in een een-tweetje de strategische keuzes maken rond stadsontwikkeling, grond en vastgoed. Deze consortia behandelen lokaal initiatief vooral als pauzenummer bij stagnerende gebiedsontwikkeling en niet als proeftuin voor een nieuwe manier van stadsontwikkeling of motor voor meervoudige waardecreatie.
Het is wel duidelijk dat hier iets heel anders met ‘samen stad maken’ wordt bedoeld dan in de wereld van participatie, initiatievenfondsen en wijken.

Overheid faciliteert marktpartijen
Ten derde is de markt en niet de samenleving de ontvangende partij daar waar de overheid zich voorneemt om de regie los te laten en zich te bekwamen in een faciliterende rol.
Zo wordt er in veel steden voor gekozen om het uitwerken van stedenbouwkundige kaders en het organiseren van draagvlak bij bewoners over te laten aan ontwikkelaars en andere marktpartijen. Wordt de aanpak van de binnenstad in handen van ondernemersverenigingen gelegd. En worden visies en kaders die wel met de bevolking zijn opgesteld in de la gestopt of ijlings aangepast als een marktpartij met een plan komt dat daar niet in past. Lokale overheden buigen nog steeds heel diep voor bedrijven die op hun eigen condities bereid zijn zich in de stad te vestigen en voor ontwikkelaars die tegen de klippen op kantoren en winkels willen blijven bouwen.

Waar is de samenleving?
Deze omarming van de markt door de lokale overheid laat weinig ruimte voor de samenleving in termen van actief burgerschap, publiek ondernemerschap, burgerinitiatief en eigenaarschap van de publieke ruimte. Bewoners van de stad worden in de wereld van stadsontwikkeling nog steeds behandeld als NIMBY: mensen met wie zorgvuldig moet worden gecommuniceerd en bij wie draagvlak voor met de markt ontwikkelde plannen moet worden gecreëerd zodat ze niet in de weerstand schieten.
Deze manier van denken en werken maakt de lokale overheid die hoog van de toren blaast over initiatiefrijke burgers, co-creatie en ‘samen stad maken’ ongeloofwaardig.Wat moet er dan anders?
Laten we eens beginnen met een open gesprek te voeren over hoe dit systeem werkt en bewoners van de stad buitensluit. Het is me opgevallen dat bij alle actuele debatten (democratische agenda, agenda stad, jaar van de ruimte) dit een non-issue is. Ik zie alleen in de wereld van transitiedenken dat de logica van oud marktdenken echt ter discussie komt.

We moeten in het publieke debat en in de keuzes van alledag ook weer leren om publieke waarden voorop te zetten en belangrijker te maken dan het markt- en rendementsdenken. In Utrecht proberen we als initiatiefnemers samen met de gemeenteraad daar iets aan te doen. Daarover schreef ik eerder dit blog.

Wat daarbij helpt is steeds de driehoek van overheid, burger en markt voor je te zien. Het valt me op dat ook de critici van het rendementsdenken zichzelf opsluiten in de tegenstelling overheid – markt en de rol van een krachtige samenleving veronachtzamen. Wat nu nodig is: de machtsbalans meer naar de burger te verleggen. Praktisch betekent dit dat een overheid die de regie wil loslaten inzet op de samenleving in plaats van de markt. Stedenbouwkundige plannen laat je niet door een marktpartij maken maar in een platform waar stadbewoners, initiatienemers omwonenden, eindgebruikers en maatschappelijke organisaties een prominente rol hebben.
Daarvoor is het ook nodig oude netwerken open te breken, om te beginnen door platforms met de geur van ‘old boys network’ transparant te maken en open te stellen voor een bredere groep van belanghebbenden.

Last but not least moeten we af van de opgefokte taal van concurrerende steden, gebiedsprogrammering en bouwopgaven waarin het altijd 5 voor 12 is om de boot niet te missen in de mondiale concurrentiestrijd of in de strijd tegen de grote problemen van de stad. Een wat meer ontspannen en organische blik op de stad helpt om de stad meer van ons allen te maken in plaats van het speelveld voor ‘grote partijen’.

Kortom, genoeg handvatten voor de lokale politiek om geloofwaardiger te worden ten aanzien van de twee jaar geleden gemaakte beloften. En (om een ontzettend cliché van stal te halen): daar is wel lef voor nodig. Want met het veilig blijven stapelen van ambities en hulpstructuren zonder de oude manier van stad maken open te breken komen we er niet.

 


Reacties


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*