een omgevingsvisie van en voor de samenleving

Ik heb het afgelopen jaar op een aantal plekken kunnen helpen om het eigenaarschap voor de omgevingsvisie in de samenleving te leggen. In Amsterdam heb ik meegewerkt aan het procesontwerp voor het komen tot die visie en in de gemeente Gooise Meren hebben we in de wijk Oostereng (Bussum) een experiment opgezet om eerst een netwerk in een buurt op te bouwen alvorens met zo’n omgevingsvisie te beginnen. 
Uit beide praktijken zijn een aantal mooie algemene lessen te trekken die ook in andere gemeenten toepasbaar zijn.  Hier komen ze.

De kring vergroten
De heilige graal bij participatie en dus ook bij het maken van omgevingsvisies is het betrekken van ‘de mensen die je normaal niet hoort’. Zij die het allemaal te ver van hun bed vinden, niet naar de zaaltjes komen en/of wantrouwig zijn naar de overheid. Inclusie is ook niet voor niets 1 van de basiswaarden onder het Amsterdamse omgevingsvisietraject.

In beide gemeenten is en wordt gewerkt via twee lijnen. Allereerst het organiseren van een proces van ‘zwaan kleef aan’ door gestaag de kring van betrokken te vergroten en daarvoor goed samen te werken met de mensen die al actief zijn. En daarnaast gewoon de straat op om nieuwe mensen te ontmoeten in hun eigen omgeving en een ander type gesprek te hebben dan tijdens de inloopavonden en workshops.  In Oostereng zijn we (ik werkte met Derk Jan Verhaak van Rho) met ambtenaren een aantal malen de straat op gegaan met als doel over te brengen dat de gemeente de bewoners en ondernemers hard nodig heeft om er iets goeds van te maken. We vroegen hoe ze hun leefomgeving ervaren, wat hun ervaring met de gemeente is, of ze iets willen en kunnen met de opgaven en plannen van de gemeente, of ze de komen jaren daarin samen willen werken met de gemeente en wat ze zelf willen doen. 
Die methode werkte goed, in korte tijd spraken we 200 mensen waarvan 1/3 aangaf wel met de ruimtelijke vraagstukken in de wijk aan de gang te willen gaan, met de gemeente of eventueel zelf. Overigens heb je dan een mooi contactbestand van mensen die je rechtstreeks kunt aanspreken waarvan uiteindelijk een kleiner deel echt opstaat om mee te doen. Maar dat is al hele grote winst ten opzichte van ‘altijd dezelfde mensen zien’.

Van ophalen naar mobiliseren
We wilden met deze methode breken met de cultuur van het ophalen van wensen en meningen (de vermaledijde koekoeksklokparticipatie) en richtten ons op het bouwen van nieuwe netwerken.  Trefwoorden: direct contact, wederkerigheid, relatie opbouwen en het mobiliseren van mensen.  

Wat vooral opviel was dat naast mensen die kritisch waren op wat er gebeurt juist mensen die redelijk tevreden waren over hun buurt en over de gemeente bereid waren om actief te worden. Het gaat dus zowel om het verzilveren van onbehagen als goodwill. En verder leerden we aardig wat mensen kennen die onder de radar al actief bezig zijn (of al een tijd rondlopen met een eigen idee hiervoor) met hun leefomgeving en hun buurtgenoten. Het is belangrijk dat die groepen (critici, tevredenen en (potentieel) actieven) elkaar leren kennen en een nieuwe relatie met de gemeente opbouwen.  We hebben dat gecombineerd met klassieke instrumenten als de wijkschouw (werkte heel goed) en de inloopavond (werkte niet goed). De les die we er uit trokken was dat laatste instrument niet meer te gebruiken en de groep mensen die echt enthousiast blijkt veel persoonlijker te benaderen.  

Organisch laten groeien van een werkbare aanpak
In Amsterdam is er voor gekozen om een waaier aan instrumenten in te zetten om dat eigenaarschap te organiseren en uit te zaaltjes weg te komen: een adviesraad, een serie stadsgesprekken, een omgevingsvisiekaravaan door de stad, meeliften op de vele platforms en initiatieven die er al zijn, inrichten van een ‘atelier van de verbeelding’ en een uitnodiging om zelf een pamflet te maken als input voor de visie. Dit vanuit het idee dat er (zeker in een grote stad) niet 1 methode is om dat eigenaarschap te realiseren. En dat de tijd moet leren welke van deze pogingen om dat eigenaarschap uit te lokken beklijven en waar bewoners ook echt het initiatief naar zich toe te halen. Het uitgangspunten hierbij is dat een jarenlange visieproces waarin je zoekt naar eigenaarschap in de stad zich organisch moet ontwikkelen. 
Op een andere wijze zien we dat ook in Gooise Meren terug, waar ook open wordt gehouden hoe zo’n omgevingsvisie er straks uit komt te zien en het zomaar zou kunnen dat het in elkaar wordt geschoven met een instrument als de wijkagenda. Want dat is natuurlijk de ultieme consequente van het maken van een omgevingsvisie met bewoners. Het moet ook bij hen passen en dan zal het ook morrelen aan de keurige grenzen van al die beleids- en planprocessen.

Kortsluiten bewonerswensen met gemeentelijke opgaven
Die cultuur van ‘ophalen en meenemen’ is ook zo populair omdat er een rare kloof is ontstaan tussen wat inwoners en ondernemers belangrijk vinden en ‘de grote opgaven’ waaraan hun gemeente werkt. Die opgavenwereld kent zijn eigen logica (strategisch, ambitieus, programmatisch, dwingend) en vormt meestal de kapstok voor een omgevingsvisie waaraan dan wat opgehaalde kleine jasjes vanuit wijken en buurten (directe leefomgeving, grote ergernissen, kleine wensen, laaghangend fruit) worden opgehangen.  
Het grote misverstand daarbij is dat wanneer mensen zich moeilijk kunnen verbinden met die gemeentelijke programma’s dat zou betekenen dat ze alleen maar geïnteresseerd zijn in hun eigen achtertuin. Dat is gewoon niet waar. Sterker nog: bewoners weten dingen, stellen vragen en maken analyses waar strategen van gemeenten nog wel een puntje aan kunnen zuigen.
In Gooise Meren hebben we gezocht naar een directere manier om beide werelden kort te sluiten. Ambtenaren vanuit verschillende hoeken (beheer- en onderhoud, klimaatadaptatie , lokale democratie, ruimtelijk beleid, verkeer, maatschappelijke zaken etcetera) gaven pitches aan elkaar en aan enkele bewoners waarin ze moesten aangeven waar ze de bewoners voor nodig hadden en hoe ze hun kennis voor die bewoners (kunnen) ontsluiten. Die ambtenaren gingen ook mee te straat op om daar praktisch iets mee te doen.  Dat lukte gedeeltelijk bijvoorbeeld bij de relatie klimaatadaptatie – beheer – bewonerswensen maar we zagen ook dat er nog wel wat slagen nodig zijn om dat soepel te vervlechten. Het heeft me gesterkt in het idee dat je zo’n omgevingsvisietraject kunt gebruiken om veel beter dan nu gebeurt de wereld van grote gemeentelijke opgaven en behoeften en belangen van bewoners kort te sluiten. 

Afrekenen met ‘verkokerd integraal werken’
De breedte waarmee in Gooise Meren aan de gang is gegaan met mensen uit verschillende hoeken van de organisatie was een sterk punt van dit experiment. Integraal werken in optima forma. Wat echter opviel is dat het niet leidde tot vervlechting van gemeentelijke programma’s en processen. Iedereen bleef (zo integraal mogelijk natuurlijk!) aan eigen opgaven werken. Daarmee nam de beleids- en werkdrukte met onze aanpak ook toe. In Amsterdam en vele andere gemeenten zie ik dat ook gebeuren.  Dat heeft deels te maken met het bekende probleem van verkokering maar ook met het feit dat op veel plekken bedacht wordt dat we anders en integraler gaan werken. Ik heb dat al eerder het polycentrisch maakbaarheidsoptimisme genoemd. Het leidt per saldo eerder tot meer dan minder drukte en beleidsconcurrentie. Zeker voor het omgevingsvisietraject met zijn hoge ambities op het vlak van integrale aanpak betekent het dat we nog radicaler moeten inzetten op het vervlechten van programma’s, projecten en processen. Anders wordt de omgevingswet straks ook gezien als tragisch voorbeeld van grote beloften maar in de praktijk nog meer gedoe. Dat vergt scherpe afspraken aan de voorkant van het traject (verbod op stapelen processen, beleidsarmer werken, meer regie in de buurten). Wat ook helpt is de boven beschreven organische aanpak dicht op de leefwereld. Daar komt de integratie ook tot stand en hoort die ook tot stand te komen. Daar bouw je visies en agenda’s op de leefwereld en ook nog eens gestaag aan sociaal kapitaal en gemeenschappen. 
Wanneer je dit niet in de vingers krijgt zal al snel de conclusie zijn dat een intensieve aanpak om bewoners eigenaar van een omgevingsvisie te maken te veel van de organisatie vergt. Dan vallen we weer terug op het oude recept: het maken van de visie gewoon uitbesteden aan een adviesbureau die op bescheiden schaal wensen gaat inventariseren. Dan blijven we hobbelen van deelproces naar deelproces waar iedere vorm van betrokkenheid van de samenleving tussendoor weer verdampt. 

Denk er niet lichtvaardig over maar hou het wel licht
Een aantal lessen kunnen we uit het bovenstaande trekken voor gemeenten die de ambitie hebben om een omgevingsvisie van en voor de samenleving te maken. 

  1. Behandel het bouwen aan netwerken en sociaal kapitaal als een hoger doel dat via een organisch en gestaag proces moet groeien. Sta dan ook niet toe dat iedere keer weer opnieuw een volkomen losstaande vorm van participatie wordt georganiseerd.
  2. Blijf de kring van betrokkenen vergroten door een proces van zwaan kleef aan en bouwen van nieuwe relaties op straat. Blijf zoveel mogelijk weg van de dynamiek van inloopavonden in zaaltjes.
  3. Vertrouw niet op 1 instrument om dat eigenaarschap te organiseren maar werk organisch door meerdere dingen tegelijk en volgtijdelijk uit te proberen, als je maar bewaakt dat er iets groeit in plaats van steeds weer verdampt.
  4. Zorg dat je een mooie mix overhoudt van kritische mensen, tevreden mensen en mensen die zelf iets (willen) ondernemen en laat hen met elkaar en met de gemeente samenwerken.
  5. Neem de ambtenaren die werken aan de grote opgaven mee naar buiten en laat hen (b.v. via pitches) zelf hun werk kortsluiten met wat in buurten leeft aan klein en groot denken en met hun collega’s van beheer en buurtgericht werken (‘collectieve wijsheid’)
  6. Lift mee op alles wat buiten al gebeurt en wordt georganiseerd, wees bescheiden in wat je daaraan toevoegt. Laat ook zien dat een omgevingsvisie op de schouders staat van veel wat er al aan kennis en visies bestaat. 
  7. Schuif beleids-, verander- en planprocessen radicaal in elkaar en gebruik de omgevingsvisie en de druk vanuit de samenleving om die integratie tot stand te brengen.   

Ik besef dat dit er bij elkaar weer behoorlijk ambitieus uitziet maar laten we het wel een beetje licht houden. Gewoon vaker de straat opgaan, meeliften op wat al gebeurt, minder zelf optuigen, opgaven meer een menselijke maat geven, dingen organisch laten groeien  en mensen met elkaar in contact brengen zonder dat de gemeente overal tussen hoeft te zitten. Dat lijkt mij een recept voor verlichting van het werk van de gemeente en een medicijn tegen de koppijn van ‘weer zo’n complex project er bij’ . Laten we in ieder geval proberen omgevingsvisies van en voor de samenleving op deze manier tot stand te brengen en nu eens wel de belofte van ‘het wordt eenvoudiger en we gaan er samen over’ waar te maken.


Reacties

  • Jan schreef:

    Wat een goed verhaal, Frans! Wijs op collectieve wijsheid, ja en bedenk dat er naast een collectie geheugen bestaat.

  • Jitske schreef:

    Wat een waardevolle blog Frans. Mooi dat je ervan uitgaat dat het opbouwen van netwerken en sociaal kapitaal een hoger doel is wat uiteindelijk zijn (uit)werking heeft. En je bewijst (en bevestigd) voor mij dat bewonersactiviteit kan worden uitgelokt.

    En zie jij een rol voor de provincie in het verbinden van bewonerswensen met gemeentelijke opgaven? En hoe kan de provincie volgens jou het beste acteren als het gaat om het verbinden van bewonerswensen met provinciale opgaven?


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*