24 april 2014

Door Frans Soeterbroek

Reacties

0 reacties

Tags
, , , , ,

Zeg het voort

De zelforganiserende stad en regionale kracht, wat hebben die met elkaar te maken?

Gisteren kwam de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) met het langverwachte advies over de toekomst van de stad. Het advies is gebouwd rond twee analyselijnen. Die van de zelforganisatie in de stad waarin de initiatiefrijke burger centraal staat en die van regionale concurrentiekracht waarin de verbinding en complementariteit tussen steden centraal staat. Beide lijnen worden goed uitgewerkt maar mondjesmaat op elkaar betrokken.
De nieuwe lokale initiatieven worden op een paar plekken genoemd als interessant voor de regionale economische kracht maar het dominante verhaal over regionale kracht klinkt toch als een wereld op een andere planeet. Daar gaat het over investeren in infrastructuren, concurrerende regio’s, agglomeratievoordeel, regionale sturing, tripartite (rijk, provincie, steden) regiofondsen en governance via het ‘triple-helix’-model : samenwerking tussen overheid kennisinstellingen en markt. Zelfs het begrip ‘quality of life’ krijgt in deze context de betekenis van vestigingskwaliteit voor bedrijven in plaats van basiswaarde voor ons aller leven in stad en regio. Dat is hele andere taal dan die van de zelforganiserende stad waarbij maatschappelijk engagement, sociaal ondernemerschap, collectieve actie, toegankelijkheid en  openbaarheid  de dragende begrippen zijn. Waar het advies echt een kans laat liggen is de spanning tussen beide werelden van denken en handelen tastbaar maken. Een paar voor de hand liggende vragen over hoe die 2 verhaallijnen zich tot elkaar verhouden worden door de RLI opzichtig onbeantwoord laat:
– Wat betekent het voor de vitaliteit van de lokale democratie als parallel wordt ingezet op lokaal loslaten en regionaal opschalen?
– Wat zou de aandacht voor zelforganisatie nu wezenlijk moeten veranderen aan het denken over stedelijke netwerken en regionale kracht?
– Hoe organiseer je de toegang van de zelforganiserende initiatiefnemers tot regionale onderhandelingstafels en die regionale fondsen?

Wanneer je probeert die vragen te beantwoorden stuit je al snel op de vraag hoe je bestaande bastions openbreekt en regionale sturing niet laat ontaarden in een naar binnen gekeerd systeem. Een voorbeeld. In de NRC schreven Willem Schinkel , Be Breij en Jeroen Geurts 7 maart jongstleden een verhaal over de ambities van de overheid met regionale scienceparken. De essentie van hun analyse was dat het model gedicteerd wordt door de behoeften van de oude economie. Zij pleiten er voor dat NGO’s, patiëntenorganisaties, de geesteswetenschappen en de alternatieve economie een volwaardige plek krijgen in dat model te geven. Juist dit type analyse waarin de onderliggende spanning wordt blootgelegd tussen de wereld van zelforganisatie  (‘de collectieven en sociaal ondernemers’) en regionale samenwerking (‘de spelers in de triple-helix’) had het advies krachtiger gemaakt.

Ik zie zelf 6 aanknopingspunten om de brug tussen die werelden beter te slaan:
1- Beide bewegingen (zeiforganisatie en regionale verbindingen) inbedden in het debat over de vernieuwing van lokale democratie. Dit blog schreef ik daar eerder over.
2- Ronde tafels, transitie-arena’s en clusters organiseren waarin vertegenwoordigers van beide werelden elkaar ontmoeten en versterken en uiteraard kennis en macht delen.
3- Zowel lokaal als regionaal de kwaliteit van leven en maatschappelijke meerwaarde als centrale waarden verankeren van waaruit  visies en beleid worden gemaakt.
4- Het bouwen aan sociaal kapitaal en het organiseren van collectieve actie van burgers zowel lokaal als regionaal centraal stellen in het denken over governance.
5- De regionale fondsen en aanbestedingen toegankelijk maken voor (collectieven van) maatschappelijke initiatieven. Dus ook maatschappelijk aanbesteden op  regionaal niveau.
6- Nieuwe modellen voor stedelijke ontwikkeling (organisch ontwikkelen, acupunctuur, placemaking, tijdelijkheid) ook toepassen op de schaal van de regio en grootschalige gebiedsprogramma’s.

Via deze zes lijnen kan voorkomen worden dat de adviezen van de RLI over de toekomst van de stad uitpakken als een grote spagaat tussen de wereld van zelforganiserende stad en wereld van de economisch sterke regio. Want dat laatste zou zonde zijn van al het goede dat dit advies te bieden heeft. Lees het in ieder geval zou ik zeggen.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*