semi-publieke organisaties in de klauw houden of in handen van burgers leggen?

Deze week zorgden de Tweede Kamer en minister Blok voor opschudding door de woningbouwcorporaties weer eens de wacht aan te zeggen. De kamer voelt zich gechanteerd door wat ze als een bouwstaking van de corporaties zien als wraak voor de verhuurdersheffing. Blok wil de corporaties helemaal terugdringen op het veld van de sociale woningbouw voor lagere inkomensgroepen. Commercieel vastgoed en duurdere woningen afstoten en geen betrokkenheid meer bij leefbaarheidsaanpak in de wijken.
Terecht veel verontwaardiging daarover niet alleen over de inhoud maar ook omdat nu juist was besloten dat corporties hun werk meer zouden gaan doen onder regie van gemeenten. Een misplaatst  staaltje spierballenvertoon uit Den Haag dus.
Deze strijd is ook een illustratie van het failliet van het geloof in hybride organisaties die zowel publieke taken vervullen als op de markt opereren. Twintig jaar geleden was dat de leidende ideologie in het organiseren in het publiek domein. Wat is er mis gegaan en hoe moet het anders?

De hoogconjunctuur, de paarse kabinetten met hun neo-liberale insteek en en de ideologie van public management voedden in de jaren negentig het idee van marktwerking in de publieke sector.  Bestuurskundigen als Roel in ’t Veld bliezen de loftrompet op hybride organisaties waar publieke taken en ondernemerschap elkaar konden versterken. Daar hebben we ondermeer de zelfstandige bestuursorganen, bestuur op afstand en een wereld vol convenanten, richtlijnen, resultaatafspraken en monitoring aan te danken. Het geïnstitutionaliseerde wantrouwen kun je het noemen. Maar dit heeft veel ellende niet kunnen voorkomen.

Systems of survival
 Ik ben op dit moment het boek ‘systems of survival’ van Jane Jacobs uit 1992 dat haaks stond op deze ideologie aan het herlezen. In het boek werkt ze  twee botsende morele grondslagen voor respectievelijk de markt en  het publieke belang uit met als onderliggende boodschap dat je die twee niet moet vermengen want dan gaat het mis. Uit haar eigen praktijk kende ze maar al te goed de voorbeelden van stadsbesturen die het grote geld roken. En in haar redenering is de maffia de ultieme consequentie van een wereld waarin beide waardesystemen door elkaar heen gaan lopen. In de golf van marktwerking in de publieke sector die juist in die jaren opkwam heeft dit boek helaas te weinig aandacht gekregen.

Jacobs lijkt het in retrospectief bij het juist eind te hebben gehad met haar zorgen over besmetting van de morele grondslagen. Bestuurders die bankiertje, ondernemertje en zonnekoning spelen met publiek geld, een wildgroei aan managers, adviseurs en onderzoekers die leven in dit schemergebied, de schaalvergroting om ‘slagkracht’ te realiseren maar het tegendeel oplevert, de vergaande specialisaties in domeinen en kennisgebieden die weer dwingen tot ‘ketensturing’ en ‘het organiseren van integraliteit’.

De afgelopen twintig jaar is op die golf de menselijke maat vakkundig uit de overheidssystemen gedrukt.  Alle ‘leken’ zijn uit de besturen van semi-publieke organisaties als woningbouwcorporaties, non-profitinstellingen en financiële fondsen gewerkt omdat ze niet in staat zouden zijn om die complexe organisaties echt te sturen. Kleinschaligheid en soberheid zijn gedegradeerd tot relicten uit de zestiger jaren.  Relaties tussen professionals en klanten zijn in protocollen vervat, regel- en bekostigingssystemen ontspoord  en vol perverse prikkels. En voor het maken van ‘een vertaalslag naar de klant en burger’ zijn tienduizenden communicatieadviseurs aangetreden.

Lokale veerkracht als derde weg
De verleiding is groot om een radicale scheiding tussen markt en publieke sector in ere te herstellen, want de perverse effecten van die menging zijn gewoon te groot gebleken. Alleen vrees ik dat we er daarmee niet komen. Jacobs zit vast in de tweedeling sterke staat tegenover vrije markt. Maar er is ook een derde morele grondslag tot ontwikkeling aan het komen waarin maatschappelijk ondernemen, gemeenschapsvorming, de duurzaamheidsbeweging en de kracht van lokale initiatieven elkaar versterken. Je kunt dit het morele systeem van lokale veerkracht noemen. En die past dus niet goed in die starre tweedeling van Jacobs. Het voorgenomen verbod van Blok voor corporaties om zich nog met de wijkaanpak te bemoeien is een goed voorbeeld van een aanslag op die lokale veerkracht. Zo moet het dus niet.

Nu er alom wordt geroepen om de perverse uitwassen van die systemen te lijf te gaan en de publieke moraal en de menselijke maat terug te brengen blijkt het bijna onmogelijk om de klok terug te draaien. Al die systemen zijn te complex, onaantastbaar en anoniem  om er nog geloof in te hebben dat ze nog bij te sturen zijn. Wie maakt zich nog druk over het ontbreken van de macht van de spaarders bij de grote banken, van de huurders bij de corporaties, van de werknemers bij de pensioenfondsen en de patiënten bij de zorgketens? In mijn omgeving worden mensen eerder actief vanuit de boodschap ‘laat het systeem maar links liggen’ dan door de wens de instituties terug te veroveren. Dat is een prettig soort eigenwijsheid maar ook een gemis.

Wat Jacobs ons leert is dat we het gesprek moeten blijven voeren over de morele grondslagen van economie en samenleving en dat de perverse systemen ook van ons zijn. Ze heeft haar boek niet voor niets geschreven in de vorm van een dialoog tussen zes vrienden waarin ze hun eigen moraliteit en die in hun omgeving afpellen en daar regels uit proberen te halen. We moeten dat debat anno 2013 intensief voeren en beseffen dat de antwoorden eerder bestaan uit lastige puzzels en onoplosbare dilemma’s dan recepten. Als we dat onderzoek niet aangaan wordt het nooit wat met het zoeken naar  betere antwoorden dan ‘de systemen zijn verrot’. Ik zou in dat debat 3 uitgangspunten willen inbrengen die ik baseer op de miskleunen van de afgelopen 20 jaar.

1- De menselijke maat in de regelsystemen
Er is al tijden een wedloop gaande tussen het maken van nieuwe regels om nog meer schandalen met misbruik en mismanagement te voorkomen en het opdoeken van regels om de ondernemer en burgers meer speelruimte te geven.  Op zijn zachtst gezegd worden de regelsystemen er niet eenvoudiger op.

Zelden worden de vraag gesteld of regels zo eenvoudig kunnen worden gemaakt dat  voor iedereen zichtbaar is waar het ontspoort. Eenvoudige regels die ook hefboom kunnen zijn voor informele  correctiemechanismen in de samenleving op die uitwassen. Ik moet hierbij altijd denken aan het besluit jaren geleden in de gemeente Drachten om in 1 keer alle verkeersborden en verkeerslichten weg te halen. Doel daarvan: het verkeer de kans te geven een zelforganiserend systeem te worden waarbij mensen elkaar ruimte geven en corrigeren. Binnen de overheid ontbreekt de durf om perverse effecten van al die gestapelde systemen openlijk in kaart te brengen en radicale keuzes te maken met het herstellen van de menselijke maat. Daar valt nog een hoop te winnen.

2- Vermaatschappelijking van het bestuur
De lekenbesturen en coöperatieve structuren moeten in ere worden hersteld. Geef klanten en burgers een sturende rol  in besturen van corporaties, zorginstellingen, banken en publieke investeringsfondsen als waarborg tegen ontsporingen van zelfbenoemde koninkjes en als uiting van een democratisch bewustzijn. Dat vermindert ook de noodzaak om ingewikkelde regelsystemen te bouwen vanuit de overheid want de ‘coutervailing powers’ zitten dan weer in het systeem. En onderschat niet hoeveel intelligentie er verzameld in onder ons leken.

Dit zou voor de politiek wisselgeld moeten zijn bij overheidssteun aan sectoren en organisaties die in problemen raken. Deze week erkende de voorzitter van Aedes Marc Calon dat de corporatiesector de band met huurders en samenleving kwijt is geraakt, dat de zeggenschap van bewoners moet worden versterkt en het oude systeem van de coöperatie weer in ere moet worden hersteld. Een bemoedigend signaal.

3-Nieuwe morele kompassen
Diezelfde Calon erkende ook dat de sector ‘het morele kompas kwijt is geraakt’. Wat zou er eigenlijk op dat kompas moeten staan? Lessen trekkend uit de afgelopen jaren zou het moeten gaan om het verankeren van waarden als liefde voor de publieke zaak, soberheid, solidariteit, lokaliteit, duurzaamheid en ambachtelijkheid. Dit als tegenwicht voor opgeblazen ego’s, onnodige complexiteit, technocratie en megalomane ambities. Eerder schreef ik er al dit  blog over.  Ik denk dat het helpt als dit binnen de semi-publieke instituties  in codes wordt vastgelegd. Maar uiteindelijk zijn we er allemaal zelf bij om dit als klant of burger te bewaken en af te dwingen. In de geest van Jane Jacobs: het zelfonderzoek en de dialoog over onze morele grondslagen  levend te houden.

Dit lijken me aanbevelingen die de politiek kunnen helpen om  de perverse effecten van de complexe systemen in het schemergebied tussen publiek domein en markt te lijf te gaan. Want anders blijven we overgeleverd aan machteloze spelletjes stratego van de overheid met corporaties, banken en zorginstellingen.  En we weten wie uiteindelijk de prijs daarvoor betalen.

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*