Organisch ontwikkelen, basis of bijproduct van stadsontwikkeling?

Gisteravond was het dan zover. Het debat over de plek van organische gebiedsontwikkeling nu de bouwmachine weer volop begint te draaien. Pakhuis de Zwijger had dit georganiseerd onder de prikkelende titel ‘het einde van organisch ontwikkelen?’ Hier iets over de aanleiding daarvan, een reactie die ik schreef op een blog van Frank ten Have van Deloitte. Ik had als mijn bedrage aan het gesprek een kort verhaal gemaakt in lijn met dat eerdere verhaal. Hier de tekst die ik uitsprak.

Voor mij is organisch ontwikkelen een filosofie of grondslag voor hoe de stad zich ontwikkelt en hoe je daarop mee beweegt en op kunt sturen. Op dit fundament hoort stadsontwikkeling en bouwprogrammering te rusten om te voorkomen dat de stad vooral op de tekentafel tot stand komt. Regelmatig probeer ik me voor te stellen wat een stadsbestuur doet als ze de stad organisch wil ontwikkelen en dat autonome proces een kans wil geven. Daar krijg ik wel mooie beelden bij.

Het is een ontspannen stad waar niet achter grote opgaven en programma’s aan wordt gerend en zielloos wordt gebouwd maar dingen hun tijd mogen nemen, publieke ruimten van kleur kunnen verschieten en de menselijke maat regeert.
Waar vanuit het principe van geleidelijke waardecreatie wordt gebouwd en ontwikkeld, wat de stad minder afhankelijk maakt van de schuldeneconomie en projectontwikkelaars.
Waar de nota woonbeleid opent met een passage over het spontane absorptievermogen van de stad, vervolgt met een passage over het mobiliseren van zelfbouw en CPO’s, en waarin radicaal wordt gekozen voor flexibel bouwen en hergebruik van gebouwen.

Het is een stad waar de cultuur van tijdelijkheid is omgebogen naar een cultuur van experimenteren en organisch groeien waarbij gebruikers ook de ontwikkelaars zijn.
Waar de overheid haar vastgoed en grond als publieke goederen en onderdeel van de samenleving beschouwt en niet als marktgoed.
Waar alle plannen doordrenkt zijn van respect en liefde voor het DNA van de stad.
Waar geen lege plekken in de stad bestaan die je op de tekentafel vult maar waar je voortbouwt op wat zich daar al afspeelt.

In deze stad wordt gebiedsontwikkeling niet vanuit stadskantoren en achterkamers gestuurd maar middels een open proces in het gebied zelf. Waarbij je als ontwikkelaar eerst een half jaar in een gebied moet bivakkeren wil je er uberhaupt iets mogen doen.
En het bestuur van deze stad bouwt op de behoeften en belangen van bewoners en behandelt hen niet als NIMBY.

Ik denk dat we geen stad kunnen aanwijzen waar dit in volle glorie gebeurt, en helaas zijn we er nog ver vanaf. De organische aanpak is een bescheiden niche in de stadsontwikkeling, toegepast waar de bouwmachine hapert of waar het geld al op is. Zo is bij station Zwolle eerst 100 miljoen op de klassieke manier verspijkerd en toen het geld op was werd gekozen voor een organische aanpak. En zelfs de spraakmakende testsite Rotterdam in het Schieblock die op de foto van de uitnodiging voor deze avond staat is nu door de gemeente in handen gelegd van een klassieke leegstandsbeheerder.

Je zou er somber van kunnen worden, zeker als we inzoomen op diepere oorzaken. Denk aan de funeste werking van de ideologie van concurrerende steden, het innige huwelijk tussen overheid en bouwwereld, het verlangen van bestuurders om daadkrachtig te bouwen, het monopolyspel met virtueel- en belastinggeld, zo kan ik nog wel even doorgaan.
Maar liever benut ik mijn tijd om wat lichtpunten te formuleren. Ik zie er drie.  Allereerst zijn er een paar steden die het aandurven om niet alleen in pauze- en restgebieden maar ook op toplocaties waar druk op staat te kiezen voor een organische aanpak. Hier aan de overkant ligt het voormalige marineterrein waar de gemeente de hijgerige haast van bouwprogrammering even niet toepast en de projectleider Liesbeth Janssen de tijd mag nemen om iets bijzonders te laten ontstaan en nee kan zeggen tegen langs komende bouwplannen. Zelf heb ik de afgelopen jaren de gemeente Kampen mogen adviseren over het oude stationsgebied waar veel mensen van roepen dat dit gebied om programma vraagt. Toch heb ik hen er van kunnen overtuigen om samen met de stad voor een organische aanpak te kiezen en er zo samen een fantastische plek van te maken. 

Tweede lichtpunt:  lokale initiatieven gaan zich beter organiseren en gaan zich meer met de grote vragen van de stad bemoeien. Het netwerk van Pakhuis de Zwijger is daar een voorbeeld van. Zelf ben ik een van de mensen achter het lokale netwerk van Utrechtse Ruimtemakers en wij werken actief aan een nieuwe tafelschikking in de stadsontwikkeling. We organiseerden een vastgoeddiner als alternatief voor het Utrechtdiner op de bouwbeurs in Munchen, hebben met de gemeente een agenda voor initiatief gemaakt en gaan ons nu op vier plekken in de stad zelf bemoeien met de bredere gebiedsaanpak. We werken daarbij goed samen met de gemeenteraad want de keuze voor organisch ontwikkelen is een publieke en politieke zaak.

Dat brengt me op het derde lichtpunt: de politiek krijgt door dat het allemaal wat scheefgegroeid is. Geïnspireerd door een bijeenkomst die de gemeenteraad met ons  netwerk organiseerde over wat we maatschappelijke gebiedsontwikkeling noemen, heeft de raad op 30 juni jongstleden met grote meerderheid een motie aangenomen over samen stad maken bij gebiedsontwikkeling. Ik noem even een aantal punten daaruit die me relevant lijken voor de discussie vanavond:

  • Neem maatschappelijk waarde mee in afwegingen bij ruimtelijke ontwikkelingen door te werken met een Maatschappelijk Programma van eisen;
  • Werk vanaf de initiatieffase aan gezamenlijke planprocessen in de stad ook bij ontwikkeling door een marktpartij.
  • Bevorder daarbij dat met eindgebruikers en lokaal gewortelde ontwikkelaars wordt gewerkt om zo ontwikkeling en gebruik te verbinden.
  • Realiseer bij ruimtelijke ontwikkelingen een gelijk speelveld voor lokale initiatieven en lokale ontwikkelaars door schaalgrootte en randvoorwaarden aan te passen;
  • Richt gebiedsateliers in waar onze bewoners samen met ontwerpers en de gemeente kunnen werken aan de ontwikkeling van de geweldige plekken die onze stad rijk is met het oog op zelfbouw en particulier initiatief.

Dit biedt hoop en maakt ook zichtbaar dat organisch ontwikkelen in het hart van de stadsontwikkeling en het publieke debat thuishoort en niet in de marge als een bescheiden toe te passen gebiedsstrategie.

Ik blijf me daar hard voor maken, ik hoop dat jullie dat ook doen.

Een ongemakkelijk gesprek
En hoe verliep nu het gesprek hierover? De relatie die ik legde tussen een organische benadering en grote vragen over het soort stad dat je wilt zijn, de machtsverhoudingen in de stad en de ideologie van concurrerende steden riep voorspelbare reacties op. Bijval vanuit het pakhuispubliek en bekritiseerd als veel te ideologisch door vertegenwoordigers van de bouwwereld als Friso de Zeeuw. Maar wat me verraste was dat de aanwezige specialisten en smaakmakers op het vlak van organisch ontwikkelen ook helemaal geen zin in mijn bredere en politieke insteek hadden.
Ze voelden zich wel comfortabel bij een pragmatisch gesprek onder vakbroeders over financieringsvormen, het organiseren van gebiedsopgaven, kavelgrootte en wie er zorgt voor de openbare ruimte.
De bezweringsformule dat organisch en programmatisch /integraal/klassiek elkaar aanvullen werd ook door hen gekoesterd en ze wilden niet dat organisch ontwikkelen geassocieerd wordt met politieke of ideologisch keuzes. Vond ik wel jammer want dit is een van de weinige plekken waar een debat over de grondslagen van stadsontwikkeling open zou kunnen worden gevoerd. Het voelde nu alsof ik mijn verhaal op het verkeerde feestje hield.  Ik heb daar na een nachtje slapen drie conclusies aan verbonden:

  • Mensen die organisch ontwikkelen als (onderdeel van) hun vak zien waarbij ze ook de steun van overheid en markt nodig hebben kun je maar beter in een publieke debat niet lastigvallen met politiek geladen analyses en vragen. Het helpt de meesten van hen niet met waar ze dagelijks mee bezig zijn.
  • De consensus in de wereld van RO dat organisch ontwikkelen gewoon (onderdeel van) een gebiedsaanpak is aanvullend op de programmatische aanpak is zo breed dat het niet veel zin heeft om het label te gebruiken voor iets fundamentelers (als grondslag voor de stadsontwikkeling en voor de relatie overheid-burger). Ik zal het daarom nog consequenter dan ik al deed hebben over het belang van maatschappelijke stads- en gebiedsontwikkeling want dat dekt de lading van waar ik het over heb wellicht beter.
  • Het debat over maatschappelijke stads- en gebiedsontwikkeling voeren met alleen professionals in de wereld van RO/ruimtelijke economie heeft niet heel veel zin. De affiniteit met vraagstukken van burgerschap, sociaal kapitaal. de publieke zaak, buurtrechten, zelfsturing en democratische vernieuwing is veel groter in andere werelden. Denk daarbij aan maatschappelijke sectoren, bewonersgroepen, publieke ondernemers, sociale wetenschappen, politiek.

Ik ben benieuwd hoe jij dit ziet.


Reacties

  • Hans Karssenberg schrijft op 9 september 2016

    Frans, dank je wel hiervoor! Ik vond het een levendig debat, en vind het een mooie weergave die je opschrijft.

    Ik verbaas me er wel over dat als niet iedereen het met je eens is of precies mee wil gaan in jouw debatlijn, dat jouw conclusie dan is dat het geen zin heeft om met die groep een debat te voeren. Wil je dan liever alleen met believers in gesprek zijn? Of je het leuk vindt of niet, ook projectontwikkelaars hebben een rol in de stedelijke ontwikkeling, en het is voor mij winst als Friso aangeeft meer in de richting van een organische aanpak op te schuiven. Ik ben het wel met je eens dat het de breedte van het debat ten goede was gekomen als er ook meer mensen aan het woord zouden zijn gekomen die nu als nieuwe investeerders opstaan, zoals bij collectieve zelfbouw en maatschappelijke investeerders.

    Maar dan toch even dat punt over “ideologie”. Ik volg je namelijk niet als organisch ontwikkelen volgens jou de enige manier van ontwikkelen moet worden.

    En dat van iemand die zelf dagelijks bezig is met organisch ontwikkelen, in de praktijk, met allerlei mooie initiatiefnemers, maatschappelijke investeerders, gebouw- en grondeigenaren, bewoners, corporaties, gemeenten, allerlei mooie ondernemers en ja ook projectontwikkelaars. We zijn aan het werk in gebieden als ZOHO Rotterdam, Rijnhuizen in Nieuwegein, Beukenhorst West in Hoofddorp; en we zijn een van de mede oprichters van het Europese netwerk re:Kreators met het doel de nieuwe vorm van ‘publiek ontwikkelen’ veel sterker te maken.

    Dus ja, ik denk dat veel gebieden beter af zijn met een stapsgewijze aanpak waarbij velen mee investeren, en niet alleen een happy few aan investeerders. Ja, ik denk ook dat dit in heel veel gevallen beter is voor de duurzame kwaliteit van die gebieden. Als je het goed doet trouwens, want ik zie ook enorme rampen gebeuren in organische ontwikkeling die juist het tegenovergestelde opleveren van duurzame kwaliteit, bijvoorbeeld als de gemeente de conclusie trekt dat organisch ontwikkelen betekent dat zij niets moeten doen (“faciliteren”). In organische ontwikkeling vraagt juist de publieke kwaliteit extra veel aandacht.

    Ik denk ook dat organisch ontwikkelen meer DE werkwijze wordt. Het is denk ik helemaal niet interessant of relevant om het gesprek over organisch ontwikkelen te koppelen aan de crisis. Wat veel fundamenteler is, is de verschuiving van van “stad maken” naar “stad zijn”, van nieuwbouw in weilanden naar het herontwikkelen van bestaande stedelijke (maatschappelijke, economische, culturele en fysieke) structuren. Als je met 100 eigenaren een gebied gaat herontwikkelen, als je met gevestigde economische en maatschappelijke structuren hebt te maken, als er al duizenden bewoners en bedrijven in een gebied aanwezig zijn, dan zal organisch ontwikkelen veel meer een feit worden. Over twintig jaar zullen we terugkijken naar het debat van nu en ons afvragen hoe we ooit ‘organisch ontwikkelen’ als iets marginaals hebben kunnen bestempelen, als iets waar je 5% van je aanpak op inzet. Daarom had ik het gevoel in een vreemd gesprek terecht te zijn gekomen, waarin organisch ontwikkelen werd bestempeld als tijdelijk crisisfenomeen.

    Als organisch ontwikkelen vanuit de opgave veel meer mainstream wordt, dan is er nog wel ongelooflijk veel te winnen, want onze systemen en een groot deel van onze cultuur van steden ontwikkelen zijn nog grotendeels compleet geënt op de sterke traditie van het “stad maken”, het bepalen voor anderen. Ik zie ook net als jij denk ik met lede ogen aan dat steden als Utrecht en Amsterdam heel veel verworvenheden van de afgelopen paar jaar, nu de woningmarkt weer aantrekt, overboord lijken te gooien en ik ben bang dat dit resulteert in kwaliteiten waar we over veertig jaar weer ongelooflijk veel spijt van zullen hebben. Zie de bouwplaat uit Utrecht die je uitdeelde.

    Tot zover zitten we dus denk ik helemaal op één lijn. Maar toch heb ik een bezwaar tegen het als heilig bestempelen van de organische aanpak, alsof dat vanaf nu de enige manier van werken zou moeten zijn, en dat is wat je doet. Ik vind het een denkfout om het middel tot een doel te bestempelen. Want organisch ontwikkelen is een middel, en geen doel op zich. Een middel dat we steeds vaker zullen moeten inzetten, en waarover we nog veel te leren hebben. Maar lang niet altijd.

    Wat is dan wel het doel? Wat mij betreft om stadsgebieden te hebben en te ontwikkelen met werkelijk duurzame kwaliteiten – wat voor mij betekent dat ze met de eisen van elke tijd mee kunnen ademen, dat ze op kleine schaal steeds aanpasbaar zijn, dat er eigenaarschap is van de gebruikers, dat ze gemengd zijn en niet monofonctioneel, dat ze een eigen ziel hebben en op de bestaande kwaliteiten voortbouwen en dat er bovenal een sterke publieke kwaliteit is waarin de menselijke maat centraal staat en niet de gemakzucht van de korte termijn standaard ontwikkeling. Als we kijken naar gebieden die al decennia en eeuwenlang hun waarde bewijzen, dan zijn dit hun eigenschappen (dus op basis van observatie en studie, en niet zoals Friso zei een ‘intellectuele gok’). Het verbaast me altijd dat we in het denken over duurzaamheid zo weinig leren van gebieden die door de eeuwen heen duurzaam zijn gebleken.

    En als we vanuit deze waarden naar gebieden kijken dan zijn er ook gebieden bij waar organische ontwikkeling niet het antwoord kan zijn. In het geval van Holland Park kunnen we denk ik blij zijn dat de gemeente hier juist niet voor heeft gekozen. De Bijlmerflats waren gebaseerd op principes die haaks stonden op de eigenschappen van duurzaamheid die ik hierboven beschrijf en zo’n star systeem dat ik denk dat we blij kunnen zijn dat we die planmatig hebben kunnen slopen en kunnen vervangen door een beter systeem. En ook dit is niet zwart-wit, er zijn allerlei nuances te vinden; in Beukenhorst West is de kwaliteit van de gebouwen in de meeste gevallen zo slecht dat we met de gemeente en Urhahn in de aanpak hebben opgenomen dat er geen pand-voor-pand aanpak zal worden toegestaan, maar dat clusters van panden in 1 keer moeten worden opgepakt en dat we anders wachten. Een mix van organisch en planmatig, zou je kunnen zeggen.

    Mijn bezwaar van je betooglijn is dat je het middel tot het doel verheft. Ik denk dat dat het verkeerde gesprek is.

    • Frans Soeterbroek schrijft op 9 september 2016

      Dag Hans,
      dank voor je uitgebreide reactie en weerwoord. Eerlijk gezegd vind ik het een mooie illustratie bij de drie conclusies die ik aan het einde trek. Ik heb het inderdaad over iets groters en fundamentelers dan een gebiedsaanpak (de grondslag waarop stadsontwikkeling rust) en dat is inderdaad voor mij meer dan een middel. En ik denk dat ik daarvoor maar beter een ander begrip kan gebruiken om niet het verwijt te krijgen dat ik in jouw wereld het verkeerde gesprek voer, zoals je zelf zegt. ik vind het interessant dat zo gauw ik het heb over morrelen aan de verhoudingen in de stad en aan de ideologie onder de stadsontwikkeling iedereen gelijk hoort dat er niets meer mag worden gepland en de markt weg moet. ik zeg alleen dat de stadsplanning op een andere fundament met worden gebouwd wil organisch niet marginaliseren en de markt meer dienstbaar dan leidend moet zijn. Ik wil natuurlijk maar al te graag dit debat blijven voeren maar ik merk dat de wereld van RO-professionals dit al snel het verkeerde gesprek vindt zoals je zelf ook zegt. Ik ben socioloog en vorm soort brug tussen ruimte, bestuur en burgerschap en kijk met een heel andere bril. Ik zie dat mensen met een niet-ruimtelijke achtergrond dit fundamentele gesprek eerder willen voeren, zoals Maarten Hajer als politicoloog het gesprek ook optilt naar kritiek op de neo-liberale stedenbouw.
      Ik kan zelf bijvoorbeeld moeilijk bevatten hoe organisch ontwikkelen mainstream kan worden zonder aan de grondslagen van stadsontwikkeling en de machtsverhoudingen in de stad te sleutelen. Bij jou lijkt het ook alsof er objectief kan worden vastgesteld wanneer een gebied om een organische benadering vraagt. De voorbeelden die ik van het marineterrein en Kampen noemde, laten zien dat dit echt niet klopt. Dat zijn gewoon politieke keuzes vanuit een andere blik opdat een stad nodig heeft. Kortom:we hebben nog wel wat te overbruggen tussen onze wereldbeelden.Laten we daarover het gesprek blijven voeren.

  • Gerben Helleman schrijft op 9 september 2016

    Beste Frans en Hans,
    Dank voor dit mooie tweegesprek. Fijn dat er ook genuanceerd en beargumenteerd over ons vakgebied kan worden gepraat. Jullie debat gaat mijn inziens over de zoektocht naar nieuwe verhoudingen tussen wat ik noem de ‘geplande’ en ‘geleefde’ stad. De spanning tussen aan de ene kant de wensbeelden en werkwijzen van overheden, planners en beleidsmakers en aan de andere kant de dagelijkse werkelijkheid van burgers en andere gebruikers. Tussen beleidsmakers die werkinstructies schrijven (‘hoe het zou moeten’) en de uitvoerders (‘hoe het daadwerkelijk werkt’). Vanuit die gedachte nog een paar aanvullende observaties van mijn kant (zie ook http://stadslente.blogspot.nl/nieuweverhoudingen):

    – We gaan in mijn optiek niet van A naar B. Net zoals dat we niet van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving gaan, zullen we ook niet van een integrale gebiedsontwikkeling (‘stad maken’) helemaal overstappen naar een organische gebiedsontwikkeling (‘stad zijn’).
    – In de praktijk is het niet zo zwart-wit en kunnen alle posities tussen het een en het ander voorkomen. In de ‘grijzere’ werkelijkheid is het daarom zaak om voorbij deze tweedeling te denken. In plaats van steeds een (schijnbare) tegenstelling te benoemen, moet de focus veel meer liggen op het feit dat beide werelden elkaar kunnen aanvullen.
    – Hoewel we al een tijdje over organische gebiedsontwikkeling en natuurlijke wijkvernieuwing praten moeten we niet ongeduldig worden. Het verleden leert ons dat vernieuwingen langzaam gaan. Daarnaast leert het verleden ons dat ontwikkelingen elkaar niet zozeer opvolgen, maar veelal een aanvulling zijn op de oude situatie. Dat komt doordat de ‘oude’ werkwijze in bepaalde gevallen nog van meerwaarde kan zijn. Laten we het kind dus niet met het badwater weggooien.
    – En laten we het organische en zaken als burgerparticipatie ook niet verheerlijken. Die kunnen ook hun mindere kanten hebben (groepjesvorming, uitsluiting, ongelijkheid, willekeur, polderen). De opgave is dus veel meer om verschillende denk- en werkwijzen met elkaar te verbinden, in hun kracht te zetten en er voor te zorgen dat de een over de ander waakt.
    – Voor de mensen die een aanpak van onderop prefereren, is er zowel reden voor optimisme als pessimisme. Het is maar net welke voorbeelden je er bij pakt. Aan de ene kant zijn er steeds meer gebieden en projecten (ook na de crisis) waarbij bewoners en gebruikers centraal staan, er meer oplossings- en vraaggericht wordt gewerkt en er afstand wordt genomen van formele, grootschalige, van bovenaf geregisseerde ingrepen. Tegelijkertijd zijn er nog genoeg organisaties waar uniforme oplossingen en het marktdenken nog centraal staan en waar er onvoldoende aandacht is voor het bestaande.
    – Laten we die laatste organisaties niet meteen afserveren. Er zijn namelijk logische redenen waarom niet iedere organisatie de genoemde omslag kan of wil maken. Het is nu eenmaal voor grote, formele organisaties moeilijker om de stap van het abstracte (einde verzorgingsstaat, start participatiesamenleving, minder rendementsdenken, meer ruimte voor burgerinitiatieven) naar het concrete (Hoe vraag- en wijkgericht te werken? Hoe om te gaan met burgerinitiatieven?) te maken. Oorzaak daarvan zijn onder andere ingesleten routines, politieke drang om op korte termijn iets te willen realiseren, tegengestelde belangen, het willen vasthouden aan het bekende en een blijvende drang naar efficiency en beheersing. Daardoor zal het ook een tijdje duren voordat de ‘mindset’ van zowel organisaties als medewerkers is veranderd. Debatten, artikelen, blogs en discussies als deze helpen daarbij. Blijf dat dus vooral doen!

    • Frans Soeterbroek schrijft op 11 september 2016

      Dag Gerben,

      dank voor je mooie bijdrage aan het gesprek. Ik denk dat je begrip geleefde stad mooie brug is tussen mijn pleidooi voor voortbouwen op wat er is en behoefte en belangen van bewoners en hans zijn concept van stad zijn. Ik deel je analyse dat het uiteindelijk wel zal gaan om ‘een mix van…’ en een lang leerproces voor velen. Fijn dat je het waardeert dat ik temidden van dit pragmatisme fundamentele vragen over de verhoudingen in de stad en de fundamenten waarop stadsontwikkeling rust blijf stellen.

  • Stan Majoor schrijft op 13 september 2016

    Dag Frans e.a., zie mijn blog op Ruimtevolk over deze avond en enkele thema’s waar jullie over spraken (ik schreef deze zonder deze site te kennen!): https://ruimtevolk.nl/2016/09/13/wie-bepaalt-waar-spontane-gebiedsontwikkeling-mag/

    Met vriendelijke groet,

    Stan Majoor

    • Frans Soeterbroek schrijft op 13 september 2016

      Dag Stan,
      leuk om te lezen dat verslag. het zal je gezien mijn verhaal niet verbazen dat ik het erg met je eens ben als je stelt dat de als pragmatisch gelabelde keuzes net zo ideologische en politiek geladen zijn. En je laatste alinea over het organiseren van wilsvorming vind ik ook een feest van herkenning. Wat ik me nog afvroeg : je hebt het helemaal niet over wat ik verteld heb over de motie ‘samen stad maken’ van de gemeenteraad in Utrecht die ik in dit verband tamelijk spectaculair vind. Ik ben benieuwd hoe jij daar tegen aan kijkt.

  • Maarten Hajer schrijft op 16 september 2016

    Beste Ruimtemaker,
    Best sympathiek natuurlijk. Maar wat ik mis: wie realiseert in jouw stad een verdubbeling van de fietsinfrastructuur? Wie zorgt voor een goeie mix van dure en sociale woningbouw? Hoe kom je ooit tot een besluit dat we echt voor TOD (transport-oriented development) gaan? Wie zorgt voor de financiële vereveningsconstructies? Wie brengt in discussie dat her en der toch in hogere dichtheden zal moeten worden her/gebouwd?
    Organische stadsontwikkeling is een lieve knuffelbeer maar stadsplanning gaat ook om moeilijke besluiten en het verwerven van steun voor visie op de stad.
    Ruimtegebruiker

    • Frans Soeterbroek schrijft op 17 september 2016

      Dag Maarten,
      wijze les voor mij: voortaan bij al mijn pleidooien voor een meer organisch benadering van stedelijke ontwikkeling een disclaimer plaatsen dat dit geen stilstaande stad is en er ook grote projecten in thuishoren maar veel meer dan nu drijft op de energieke samenleving (van wie is dat begrip ook al weer?). Je bevestigt met je kritiek precies mijn grootste angst. Zo gauw De Grote Urgente Opgaven langskomen wordt een blik op de stad als de mijne een naïeve knuffelbeer en gaan we weer lekker klassiek top-down en technocratische aan de slag. Dan wordt het ook bij jou de taal van ‘steun verwerven voor moeilijke besluiten’ i.p.v. mobiliseren van de samenleving die (in jouw eigen woorden!) vaak al een stuk verder is dan de overheid. En was het nu maar zo dat dat iets fraais oplevert maar ik heb onderhand wel heel veel voorbeelden gezien in de categorie: hoe grootser en urgenter de opgave die door een kleine groep met kennis, geld en positie wordt gekoesterd hoe groter de kans dat het niet iets wordt waar wij als ruimtegebruikers blij van worden. Kortom, dan hou ik toch nog maar even die knuffelbeer vast. Eerlijk gezegd had ik verwacht dat jij als iemand die analyses maakt als ‘de stad als plek van binding en betrokkenheid moet opboksen tegen de macht van ongrijpbare financiële stromen’ wel enthousiast zou worden van waar we in Utrecht met de gemeenteraad mee bezig zijn. Maar niets daarover. Ik neem maar aan dat dat beeld schuilging achter die grote knuffelbeer waar je even tegenaan botste.

  • frans soeterbroek schrijft op 26 oktober 2016

    test


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*