4 maart 2019

Door Frans Soeterbroek

Reacties

0 reacties

Tags
, , , ,

Zeg het voort

Vertel me hoeveel harmonieën u heeft en ik vertel u hoe sterk uw cultuur, economie en bestuur zijn

(column uitgesproken tijdens het cultuurcafé van Brabantkennis op 24 februari 2019 in Deurne)

Gerard Rooijakkers beschrijft in zijn mooie essay de botsing van de Brabantse commons en dragende gemeenschappen met de logica van commercie en de systeemwereld. Aan mij is gevraagd daar een meer stedelijk perspectief tegenover te plaatsen. De eerste gedachte die bij me opkwam: de vraagstukken van dragende gemeenschappen in dorpen en steden zijn eigenlijk helemaal niet zo verschillend. Zoals de treurigheid van de marktwerking, die maakt dat we steeds meer aangesproken worden als consument in plaats van als burger. [SdC1] En of het nou in steden of in dorpen is, we hebben evenveel te maken met de logica van verkokerde systemen. Die vervolgens een tapijt van beleid en regels uitrollen waaronder de menselijke maat, lokale ecosystemen en gemeenschapskracht verdwijnen.

En zo gauw de beleidswereld gaat uitzoomen tot een hoger schaalniveau (de stedenband, de regio, de provincie) verdwijnt de burger al helemaal uit het oog. Niet alleen jammer, maar ook dom. De Amerikaanse politicoloog Robert Putnam heeft in de jaren 90 een spraakmakend onderzoek gedaan naar de kracht en zwakten van Italiaanse regio’s. Hij kon maar één punt vinden waarop sterke en zwakke regio’s van elkaar verschillen: het sociaal kapitaal. Om zijn verhaal kracht bij te zetten stelde Putnam enigszins provocerend “vertel me hoeveel zangkoren u heeft en ik vertel u hoe goed uw bestuur en economie er voor staan”. Vertaald naar Brabant kun je misschien die zangkoren vervangen door harmonieën. Maar een radicale inzet op sociaal kapitaal als motor is helaas nog steeds afwezig bij grootstedelijk en regionaal beleid, is mijn waarneming. Dat gaat toch vooral over ruimtelijke ordening en economie. 

Hack de systeemwereld

Zelf ben ik vooral bezig met de rol van bewoners bij stedelijke ontwikkeling. Ik speel met democratische vernieuwing, mobiliseren van collectieve wijsheid en eigenaarschap voor onze eigen leefomgeving. Allemaal pogingen om weg te komen bij te vrijblijvende participatie en die veel te grote afstand tussen overheid en samenleving –  en tussen groepen zélf in de samenleving. Ik heb gezien dat je actieve burgers nodig hebt om de systeemwereld niet weg te laten groeien van de leefwereld.

Laatst was ik op stap met Anne van Kuijk en Rinus van der Heijden in Rooi (Sint-Oedenrode voor de noorderlingen). Anne is adviseur ruimtelijke kwaliteit voor de provincie, Rinus gepensioneerd landschapsarchitect die zich actief bemoeit met landschaps- en gebiedsontwikkeling in en rond zijn eigen dorp. Rinus leidde ons rond en vertelde dat hij door deze betrokkenheid steeds meer op zich begon te nemen. Zo heeft hij met anderen een kunstroute gemaakt langs verweesde kunstwerken in het dorp en bemoeit hij zich met leegstand en de verhuizing van de plaatselijke Albert Heijn. 

Wat ik zo boeiend aan hem vond is dat hij drie mensen ineen was. Een beroepsburger die alles naar zich toetrekt wat op zijn pad komt, een verbinder in het dorp die zich graag met anderen tegen de overheid afzet, maar ook gewoon onderdeel van diezelfde systeemwereld waarin hij een soort burgerwethouder is. De soort mens die Rinus vertegenwoordigt is wat ik de happy infiltrators of systeemhackers noem: iemand die de systemen uitdaagt door er gewoon aan deel te nemen en de regels behendig om te buigen. Kunstenaars vervullen vaak die rol maar eigenlijk kan iedereen een happy infiltrator zijn. Ik probeer het zelf ook in mijn eigen stad. 

Vanuit zo’n perspectief is die vermaledijde systeemwereld niet die onneembare vesting zoals hij zo vaak wordt afgeschilderd. Het helpt niet om leef- en systeemwereld zo radicaal tegenover elkaar te zetten dat we er moedeloos van worden. Zelfs in de stad, waar de fragmentatie en vernieuwingsdrang van de systeemwereld het meest opvallen, zie ik ontelbare ingangen voor veranderingen. 

Een samenleving is niet hetzelfde als een gemeenschap

Als socioloog heb ik het verschil geleerd tussen gemeenschap en samenleving. Een gemeenschap is waar je zonder ervoor te kiezen bij hoort, een samenleving is waar mensen tot elkaar veroordeeld zijn en afspraken nodig zijn om de zaak bij elkaar te houden. Dan heb je het over begrippen als ‘leven en laten leven’, rechtsstaat en sociaal contract. Een inclusieve gemeenschap kan dus een bedreiging vormen voor een inclusieve samenleving.  

Als je zo naar de samenleving kijkt, helpt dat om in de stad de vele tinten grijs te zien tussen  gemeenschapszin aan de ene kant en individualisering en commercialisering aan de andere. Voor veel mensen is hun stedelijke identiteit de vrijheid om je eigen verbanden te kiezen in een samenleving die meestal wonderwel functioneert zonder de kracht van dragende gemeenschappen. Misschien komt dat in Brabant vreemd voor. Daar komen we toch via de achterdeur binnen? Maar mijn vakgenoten citeren vaak sociologen die pleiten voor het behandelen van je buren vanuit ‘afstandelijke nabijheid’. Mensen dus van wie je op aan kunt als je ze echt nodig hebt – maar waar je niet te close mee moet worden. 

En hoewel ook stadssociologen makkelijk begrippen als gemeenschap en community in de mond nemen, bedoelen ze vaak iets veel lichters dan die dragende gemeenschappen. Socioloog jan Willem Duijvendak spreekt bijvoorbeeld over de kracht van lichte gemeenschappen. Hij bedoelt daar twee totaal verschillende dingen mee. Allereerst: je kiest je eigen (vaak tijdelijke) verbanden waarin je je veilig en thuis voelt, maar waar je niet aan vastzit. Tactische verbanden dus. Je identiteit bestaat namelijk ook uit een optelsom van die verbanden en niet uit iets ondeelbaars. Zelf hou ik ontzettend van de gelaagdheid en ambiguïteit van culturen en identiteiten, en ben ik een radicaal bestrijder van onze neiging om alles scherp in te delen in homogene groepen. 

De tweede betekenis van lichte gemeenschap is de onzichtbare hand in het stedelijk leven. De hand die ons op een soepele manier verbindt met de ‘vertrouwde vreemden’ om ons heen. Door een proces van sociale besmetting komt daar een verrassende eenheid van denken en handelen uit voort. Denk bijvoorbeeld aan het fenomeen dat Marokkaanse Nederlanders op bezoek in Marokko feilloos van een afstand de Nederlandse, Belgische, Franse Marokkanen eruit kunnen halen omdat ze een bepaalde houding van die landen hebben overgenomen. En andersom: Nederlandse jongeren die aangeven niets van Marokkanen te moeten hebben maar wel trots zijn op hun Mocro-straattaaltje. 

En om het verhaal over vertrouwde vreemden helemaal af te maken: uit onderzoek (ongetwijfeld uitgevoerd in steden) blijkt dat we gelukkiger worden van ontmoetingen met vreemden dan met de mensen die dicht bij ons staan.

Grensontkennend denken en handelen

Trouwens, dat samenlevingsperspectief kan ook wel eens doorslaan. Dragende gemeenschappen worden door stedelijke besturen een beetje gewantrouwd, want ze monopoliseren buurten, zijn vaak niet uitnodigend voor nieuwkomers en ze domineren de inspraakcircuits. NIMBY (Not in My Backyard) en usual suspect zijn scheldwoorden geworden voor de meest actieve en zichtbare burgergroepen. Dat komt omdat ze op gespannen voet staan met wat wij vinden dat een goede afspiegeling van de samenleving is. We willen geen ‘buurtburgemeesters’ meer, maar via loting  de wijk laten vertegenwoordigen. Mensen als Rinus van der Heijden worden daarom al snel weggezet als usual suspect. Ik ben bang dat we met die negatieve toonzetting veel sociaal kapitaal en collectieve wijsheid ondergraven. Benaderingen als lichte gemeenschap, gelaagde identiteit en collectieve wijsheid kunnen juist helpen om een valse tegenstelling tussen dragende gemeenschappen aan de ene kant en ‘een afspiegeling van de diversiteit van de samenleving’ aan de andere kant te voorkomen. Als mens hebben we sowieso al te sterk de neiging om in harde tegenstellingen te denken: individualisering – gemeenschap , stad – platteland,  systeemwereld – leefwereld, hogere –  lagere cultuur, virtuele wereld – echt contact. Cultuur, gemeenschap en samenleving zijn sociale constructen, en het helpt om ze niet als bezweringsformules of harde tweedelingen te gebruiken. Vraag eens aan elkaar wat de ander daar nu precies mee bedoelt. En zoek de grijstinten. Want die zijn veel interessanter!

Als we dat doen, voorkomen we dat we dat tegenstellingen in de wereld een self fulfilling prophecy worden. Probeer grensontkennend te denken en richt je op de vraag hoe we collectief burgerschap in een gefragmenteerde samenleving kunnen invullen. 

Misschien moet ik de titel van het verhaal ook even herformuleren: Zeg me hoeveel lichtheid en gelaagdheid in identiteiten de samenleving aankan en ik vertel hoe sterk bestuur, economie en cultuur zijn.

Frans Soeterbroek De Ruimtemaker



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*