de versnellingsagenda maatschappelijk aanbesteden

In het kader van het versterken van lokaal initiatief is het idee van maatschappelijk aanbsteden in opkomst. Dat houdt in dat burgers en kleine maatschappelijk ondernemers mee kunnen dingen naar opdrachten die tot nu toe altijd gaan naar grote instituties en marktpartijen. Die beweging is geïnspireerd op de uit Engeland overgewaaide principes van ‘right to bid’ en ‘right to challange’. Met ons netwerk van Utrechtse Ruimtemakers organiseerden we afgelopen vrijdagavond onder de noemer stadsmakersdialoog een mooie oploop met initiatiefnemers, raadsleden en ambtenaren over publieke fondsen, overheidsopdrachten en zeggenschap over buurtgelden. Hier het verslag en de conclusies uit die bijeenkomst.
Eerder deze maand was ik bij de ‘parade maatschappelijk aanbesteden’ die het ministerie van BZK  organiseerde. Daar werd een staalkaart van experimenten met deze aanbestedingspraktijk gepresenteerd. Uit beide bijeenkomsten zijn wat interessante lessen te trekken.  

Voorzichtigheid en bescheidenheid troef
De parade was feitelijk een momentopname van bescheiden experimenten met het vergroten van de zeggenschap van burger- en buurtgroepen over publiek geld. In Amsterdam Oost wordt daar zo op het oog het meest aan gedaan maar ook daar oogt het als een lastig leerproces en niet als een radicale  omslag in denken in handelen. Voorzichtig loslaten van de regie door de overheid (‘op je handen zitten’) was het parool. Ik snap die voorzichtigheid wel omdat het om publieke geld en het vinden van nieuwe verhoudingen gaat. En de gemeente wil  voorkomen dat er ongelijkheid en uitsluiting in de buurt ontstaat door bepaalde groepen geld te geven.
Ik werd er echter ook erg ongeduldig van: kan dit allemaal niet wat gedurfder en gelijkwaardiger en kan het niet wat dieper in de gemeentelijke systemen doordringen? Het aantal aanwezige financiële mensen en aanbestedingsexperts was bijvoorbeeld gering.  Ik was dan ook blij om te horen dat BZK een versnellingsagenda voor maatschappelijk aanbesteden ontwikkelt. Blijkbaar beseft men daar ook dat er wel een tandje bij mag. Die versnellingsagenda is nog vrij leeg had ik de indruk dus laten we eens een poging wagen die te gaan vullen.

Maatschappelijk aanbesteden is geen aanbesteden
Wat me bij die parade maatschappelijk aanbesteden vooral opviel is dat er geen enkel voorbeeld langskwam waar het echt ging om het in concurrentie meedingen naar opdrachten. Het waren vooral praktijken waar gemeenten er voor kozen om een deel van de gelden bestemd voor welzijn, zorg, wijkaanpak en participatie te reserveren voor burgerinitiatieven. Tijdens de Utrechtse stadsmakersdialoog werd dit beeld bevestigd. Er worden vooral pogingen ondernomen om geld vrij te maken voor maatschappelijk initiatieven buiten de aanbestedingsprcedures om. Daarbij wordt ingezet op het bouwen aan nieuwe verbindingen en rolverdelingen tussen gemeentelijke diensten en lokale initiatiefnemers in plaats van een afstandelijke aanbestedingsrelaties.
Financieel- en aanbestedingspecialist van de gemeente Ed de Haan concludeerde dan ook op deze avond dat we op zoek zijn naar een nieuwe manier van financieren van lokale initiatieven naast subsidies, buurtfondsen en aanbesteden. Samen met die initiatiefnemers gaat hij daar de komende tijd mee aan de slag. De vraag is dan wel of het begrip maatschappelijk aanbesteden de lading nog dekt.

Een ruime invulling van social return 
Tijdens de parade ontmoette ik de man die namens de gemeente Utrecht belast is met het beleid voor social return bij aanbesteding. Hij kwam ook naar de stadsmakersdialoog. Social return gaat om het reserveren van een deel van de aanneemsom (2 tot 5 %) voor sociale doelstellingen in de stad. In de praktijk wordt dat ingevuld door de verplichting mensen met enige afstand tot de arbeidsmarkt (langdurig werklozen, gehandicapten, leerlingen op zoek naar een stage) bij die projecten in te schakelen. Het blijkt echter lastig om dat ook te realiseren. De aanbesteders een aannemers missen vaak de goede contacten in de stad om dat te organiseren. De gemeente is dan ook op zoek naar nieuwe netwerken met initiatiefnemers met een tweeledig doel: die doelgroepen beter te bereiken en verbreding van de scope van social return.
Dat laatste zou kunnen gaan over het verbinden van grote bedrijven en instellingen aan stedelijke initiatieven en om het inschakelen van kleine lokale ondernemers door hen. Daarmee dien je ook meerdere doelen: grote bedrijven en instellingen de kans bieden om hun maatschappelijke betrokkenheid te verzilveren, lokale initiatiefnemers een springplank bieden en de innovatiekracht van de lokale economie een impuls geven. Een interessante weg dus en ook hieraan gaat de gemeente in dialoog met bedrijfsleven en initiatiefnemers invulling geven, spraken we deze avond af.

Een netwerk van ZZP-ers of gebieds- en wijkcoöperaties?
Veel initiatiefnemers in de stad zijn zowel onderdeel van een collectieve beweging als ZZP’er. Ze proberen, wat vaak maar al te lastig is, een beroep te maken van een  leven als betrokken stads- en buurtbewoner. Daar kunnen publieke fondsen en de aanbestedingsprocedures slecht mee omgaan. Dat verandert alleen door zowel aan die kant van de financierende en aanbestedende partij zaken te veranderen (zie hierboven) alsook door meer organisatiekracht van de initiatiefnemers. Wanneer deze zich verenigen in buurt- en gebiedscoöperaties of een collectief van nieuwe stadsontwikkelaars worden meerdere vliegen in een klap geslagen.
Maatschappelijk initiatief en beroepsmatige activiteit vallen nu beter samen, de legitimiteit om als gemeente met zo’n collectief zaken te doen is groter en het collectief kan meer een vuist maken naar gemeenten, corporaties, andere instituties en marktpartijen. Tel uit je winst. Daar ligt dus een grote uitdaging voor lokale initiatiefnemers. Organiseer je zowel op gebieds-, buurt als stadsniveau en schroom niet om daarbij publieke middelen (vaak als co-financiering) naar je toe te halen. In Utrecht zien we de buurtcoöperaties al in meerdere wijken opkomen. Dat is beloftevol.

Kleinschaliger aanbesteden, publieke waarde en maatwerk
De wijze waarop gemeenten hun geld programmeren en wegzetten is tamelijk ontmoedigend voor lokale initiatiefnemers. Programmabegrotingen zonder veel flexibiliteit, ondoorzichtige begrotingen die niet doorvertaald zijn naar buurt en wijkniveau  en steeds grotere en complexere contracten. Het is daarom allereerst zaak dat gemeenten in hun beleids- en begrotingscyclus meer transparantie en flexibiliteit inbouwen, gaan werken met buurtbegrotingen en de buurten meer zeggenschap geven over die gelden. Dan wordt de buurt ook aanbesteder. Met buurtbegroting en buurtmonitoring is in Utrecht West inmiddels enige ervaring opgedaan en dat verdient verbreding. Daarnaast moet een halt toegeroepen worden aan de schaalvergroting en verzakelijking in de aanbesteding. De publieke waarde raakt geheel uit zicht in deze technocratische wereld van aanbesteden. Daar wordt gelukkig al her en der van teruggekomen.

Aanbesteders moeten weer leren denken in kleine porties en maatwerk. In Utrecht kunnen initiatiefnemers meeliften op het beleid dat nu wordt ingezet om ZZP’ers en het MKB weer een positie te geven in de aanbesteding, bijvoorbeeld door te kijken naar toegevoegde waarde en competentie in plaats van het stellen van omzeteisen. Maar dat moet dus ook gericht worden op burgerinitiatieven zou ik zeggen. Het wordt nog een grote uitdagingen om deze inzet op transparantie, flexibiliteit, kleinschaligheid, maatwerk en publieke waarde ook te laten gelden voor de grote decentralisaties die er in het sociale domein aankomen. Laten we het daar gelijk eens goed aanpakken.

Versnelling door op meerdere knoppen te drukken
Samenvattend: voor een versnellingsagenda maatschappelijk aanbesteden moet er op meerdere fronten doorgepakt worden. Aan de kant van de gemeenten gaat het om een goed systeem van buurt- en wijkbegrotingen, het flexibiliseren en in kleine porties opknippen van de grote geldstromen voor wonen, zorg, welzijn en werk,  het ontwikkelen van een nieuw financieringsmodel (naast subsidies, aanbesteding en buurtbegrotingen) voor lokaal initiatief en het vernieuwen van het instrument ‘social return’.

Aan de kant van de initiatiefnemers gaat het om het vergroten van het organiserend vermogen op buurt-, wijk- en stadsniveau en het aanwezig zijn op de plekken waar de gemeente haar instrumentarium vernieuwt. Die vernieuwing moet in dialoog tussen bestuur en stad plaatsvinden. De Utrechtse Ruimtemakers hebben hier samen met de lokale politiek en ambtenaren een veelbelovende stap in gezet. Het zou mooi zijn als andere steden en het rijk zich hierbij aansluiten. Dan bouwen we echt die versnellingsagenda met elkaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*