Een krachtige regio, wat is dat eigenlijk?

Gisteren mocht ik weer eens optreden bij het forum voor de stedelijke regio’s. Een prettig gezelschap met vertegenwoordigers uit 12 stedelijke regio’s (ondersteund door platform 31) waar tot mijn vreugde de benadering van lichte sturing en dansen door de schalen al jaren wordt omarmd. Zorgvuldig bouwen aan samenwerking op verschillende schalen, in wisselende verbanden en georganiseerd in lichte structuren is het devies. In die cultuur van informele samenwerking en wederzijds vertrouwen is in de diverse regio’s jarenlang geïnvesteerd. Des te pijnlijker om te zien hoe de opschalingsdiscussie die door dit kabinet in gang is gezet daar doorheen fietst. Een van de aanwezigen beschreef  de samenwerking als een gezellige kroeg. Ik vrees dat die sfeer nu wordt ingeruild voor een ouderwets potje simultaanschaken.  Hoe hieraan te ontkomen is de prangende vraag. In het verleggen van de aandacht naar de kracht van sociaal kapitaal ligt de sleutel.

Het beeld dat ik in die bijeenkomst kreeg is dat de regionale samenwerkingsverbanden er redelijk goed in zijn geslaagd om taaie  strijd, oud zeer en wantrouwen over annexatie en herindeling te laten verdampen. Met de inzet van het kabinet op het opdoeken van WGR+regio’s en opschalen van gemeenten tot 100.000 inwoners is helaas dat spel weer op de wagen. Zo ging het over de dreiging van het ontstaan van ‘donutgemeenten’ (de kring van randgemeenten die gaan fuseren en zo de centrumstad ‘omsingelen’) , over calimerohouding, over de strijd tussen regio’s en provincie om de BDU-gelden en over de verschillen in bestuursstijl die bepalen hoe snel vertrouwen in dit krachtenveld kan verdampen.

Wat zich hier wreekt is de smalle basis onder veel regionale samenwerkingsverbanden. Het is vooral een bestuurlijk project en nauwelijks geworteld in de samenleving. Dat heeft ook veel met de achtergrond van deze vorm van samenwerking te maken. In Nederland is het debat over krachtige regio’s gefixeerd op de vraag hoe je door regionaal samen te werken zo veel mogelijk investeringen in gebiedsontwikkeling, OV, woningbouw, wegen en innovatie naar je toe kunt trekken en kunt bundelen. Niet onbelangrijk, maar er zijn wel te veel perverse effecten zichtbaar van deze eenzijdige inzet:

1- regionale agenda’s die geschreven lijken te zijn door bouwend Nederland en ‘de grote spelers’ in de regio;
2- geldgedreven (ook wij willen ons portie uit aardgasbaten, MIRT-gelden en BDU) in plaats van een waardengedreven cultuur;
3- bestuurlijke onderonsjes over gebiedagenda’s, daily urban systems, competitieve regio’s  en andere hoogdravende concepten die los zijn gegroeid van gemeenteraden en inwoners.

Maatschappelijke krachten die staan voor een ander type samenleving (duurzame ontwikkeling, terugdringen groei wegverkeer en asfalt, coöperatieve cultuur, maatschappelijke zelfsturing, bottom-up gebiedsontwikkeling, versterken lokale democratie) worden in deze regionale bestuurscultuur gemarginaliseerd. Het wordt tijd dat deze krachten zich sterker laten gelden in regionale samenwerking. En vooral dat verschillende werelden actief worden kortgesloten, zoals de netwerken voor duurzame ontwikkeling met die van regionale gebieds- en investeringsagenda’s. Die leven nu nog in parallelle werelden.

Daarnaast moeten we met elkaar nog eens stilstaan bij de vraag wat er werkelijke toe doet om tot krachtige regio’s te komen. Daarvoor moeten we de retoriek van concurrerende regio’s en investeringsagenda’s overstijgen. Bij de voorbereiding op deze bijeenkomst stuitte ik op het standaardwerking van de grondlegger van het denken over krachtige regio’s ‘making democracy work’  van Robert Putnam uit 1992. In zijn onderzoek naar succes en falen van regiovorming kwam hij tot de verrassende conclusie dat de kracht van het sociaal kapitaal bepalend is voor  goed bestuur en economische kracht. Daarmee doelde hij op een sterk verenigingsleven, onderling vertrouwen tussen burgers en vertrouwen van burgers in de instituties. Putnam stelde zelfs: ‘vertel me hoeveel zangkoren uw regio heeft en ik zeg u hoe goed uw bestuur voor u zorgt.’ Nu lijkt het me niet de bedoeling om de kracht van het verenigingsleven tot inzet van regionale samenwerking te maken maar Putnam raakt hier wel een essentieel punt. Regionale verbanden die te sterk een technocratisch karakter krijgen en helemaal niets hebben met de kracht van sociaal kapitaal zijn echt op de verkeerde weg.

Nu helpt het al dat door de decentralisatie van taken in het sociale domein de regionale agenda van karakter zal veranderen. Het gaat dan om onderwerpen die dichter op de huid van de inwoners zitten en beter in termen van sociaal kapitaal zijn te duiden (denk aan discussies over samenredzaamheid, eigen kracht, ‘delen is het nieuwe bezitten’, lokale zelforganisatie). Alleen is de vraag ook hier hoe je voorkomt dat dit ondersneeuwt in bestuurlijke onderonsjes en taaie structuurdiscussies tussen gemeenten, zorgkantoren, verzekeraars, grote instellingen en inspecties. De taal van sociaal kapitaal, veerkrachtige samenleving en vloeibaar bestuur zou hier wat verlichting kunnen geven en ons kunnen behoeden voor een fixatie op structuren met de bijbehorende competentiestrijd.

Laten we eens beginnen met de inwoners uit te nodigen om plaats achter het regionale stuur te nemen.  Voor de regionale agendavorming en uitvoeringspraktijk kun je denken aan burgerpanels, ontwerpteams van burgers, bedrijven en specialisten en aan de instelling van een ‘cititzens development board’. Zo jagen we ook een proces van versterking van sociale netwerken aan. Want het organiseren van nieuwe ontmoetingen en netwerken en het het verleggen van de machtsbalans naar de burger  produceert nieuw sociaal kapitaal en zo wordt je een werkelijk (veer)krachtige regio. Welke regio pakt die handschoen op?

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*