Gevaarlijke plekken maken voor de NEXT ECONOMY

Vorige week was ik op de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR) met als thema Next Economy. Een ruimte gevuld met presentaties van spannende initiatieven in steden en verleidelijke vergezichten voor iets wat lijkt op een wezenlijk andere economie. Sociaal-inclusief, groen, gezond,  klimaatadaptief en circulair zijn de buzzwoorden.Het zijn vooral de voorbeelden van spontane coalities, lokale strijd en kleinschalige economische dynamiek die me inspireren. Op de gepresenteerde stedelijke en regionale ateliers kreeg ik minder greep.In de catalogus vond ik de context van al deze presentaties. Curator Maarten Hajer zet daarin een pittige kritiek neer op de neoliberale dominantie in de stadsontwikkeling en het denken over steden. Het heeft ons opgezadeld met een speculatieve stedenbouw die vooral geld aan de stad onttrekt en steden tot elkaars concurrent maakt. Hajer:  ‘de stad als plek van binding en betrokkenheid moet opboksen tegen de macht van ongrijpbare financiële stromen.’ In deze context is het ontwerpen onvermijdelijk normatief van aard is. Ontwerpers moeten verbeeldingen maken die de agenda voor een wezenlijk andere stedelijke economie voeden.

Afstand beleidspraktijk en experimeerruimte
Diezelfde toon trof ik tot mijn vreugde en verbazing aan in de presentatie van het IABR-atelier over mijn eigen stad onder de noemer ‘Utrecht, de gezonde stad’. Daarin worden sociale structuren in wijken aangewezen als sleutel tot het verkleinen van de afstand tussen de levensverwachtingen in verschillende wijken. Bepleit wordt het creëren van ruimte voor ‘het collectieve, onverwachte en ongekende’, het koesteren van zelforganisatie en het onttrekken van leegkomende gebouwen aan ‘de onverbiddelijke vastgoedlogica’.

Waarom mijn verbazing? Omdat de gemeente Utrecht net een ruimtelijke strategie heeft gepresenteerd waar die onverbiddelijke vastgoedlogica en de neo-liberale insteek van concurrerende steden schuil gaan onder een tekst die bol staat van ‘gezonde verstedelijking’. Lees hier mijn analyse daarvan en mijn poging om een ruimtelijke strategie voor de stad te schetsen die zich aan die logica probeert te onttrekken.

Vrijblijvendheid op de loer
Dat roept de vraag op in hoeverre de werkwijze van de IABR-ateliers een wezenlijke impact heeft op die vermaledijde oude manier van stad ontwikkelen.

Die atelieraanpak past in een nog jonge traditie van ‘ontwerpend onderzoek’ waarbij er in stad en regio experimentele vrijplaatsen worden gecreëerd waarin ontwerpers, onderzoekers en ‘stakeholders’ in de luwte van het dagelijkse besturen en ondernemen verbeeldingen maken van een betere wereld. Het creëren van ‘een veilige ruimte voor gevaarlijke ideeën’ en ‘culturele ruimte’ wordt het in de essays genoemd.  De directeur van de IABR spreekt zelfs over een heuse IABR-methode, de ‘sabbattical detour’: een rustpunt en omweg op weg naar de gewenste transitie.

Een aanpak onder deze noemers heeft het risico dat deze te ver afstaat van de dagelijkse praktijk in de stad en in het lokaal bestuur om daar iets echt in beweging te krijgen. Dan worden ontwerpateliers door overheid en bedrijven gebruikt als imago-instrument (‘kijk ons werken aan vernieuwing’) terwijl alles bij het oude blijft. Ik zit onvoldoende diep in de IABR-ateliers om dit te beoordelen maar ken veel stedelijke experimenten waar dit zich voordoet. Als bijdrage aan het verbeteren van het instrumentarium voor de Next Economy wil ik wat verrijkingen en alternatieven presenteren voor het ontwerpend onderzoek die ook voor ontwerpers en onderzoekers interessant zijn.

Actieonderzoek verbonden met lokale bewegingen
Bij mijn bezoek aan de IABR woonde ik een lezing bij van gastcurator en Zuid-Afrikaan Mark Swilling die het had over ‘we’ die de stad weer hernemen op het kapitaal, de bouwwereld en de met hen samenwerkende overheid. Ik vroeg hem waarom hij het in zijn verhaal niet had over burgerschap, lokale bewegingen en communitybuilding omdat ik die werelden altijd associeer met die ‘we’. Tot mijn schrik antwoordde hij dat je het niet moet hebben van deze mensen ‘die denken dat als je zeven keer om een institutie loopt die vanzelf wel instort’.

Is dit een blinde vlek in de wereld van ontwerpend onderzoek? Het viel me bij lezing van de catalogus ook op dat ik begrippen als burgerschap of energieke samenleving (notabene een door Hajer zelf gemunt begrip) niet tegenkwam, terwijl ik juist hierop mijn optimisme baseer over wat er in steden plaatsvindt als tegenwicht voor de neoliberale stedenbouw. Ik snapte maar al te goed waarom iemand aan het einde van de tentoonstelling als verzuchting had gepost ”This is the NEXT ECONOMY,: the citizens!”

Veel op vernieuwing gerichte netwerken van onderzoekers, ontwerpers, beleidsmakers en adviseurs bouwen hun concepten, experimenten en veranderstrategieën zonder zich duurzaam te verbinden met stedelijke initiatieven en bewegingen. In dit krachtenveld worden lokale initiatieven gebruikt als voedingsbron, object van onderzoek en als trofee om mee te pronken en niet als partner waarmee je je duurzaam verbindt en waarvoor je je nek uitsteekt.
Onderzoekers en ontwerpers die voorbij een neo-liberale agenda willen komen zijn niet alleen professionals maar ook onderdeel van een maatschappelijke beweging die strijdt voor het eigenaarschap van burgers en lokale gemeenschappen over hun eigen omgeving.

Wat helaas niet helpt is dat er in opleidingen voor architecten en stedenbouwers nauwelijks tot geen aandacht is voor participatie, lokaal initiatief en burgerschap. Misschien moeten we het aloude concept van actieonderzoek van stal halen als contramal voor de expertisebenadering van ontwerpend onderzoek.

Dansen door de schalen van gedroomde stad en geleefde buurt
Die lokale binding van ontwerpers en onderzoekers is ook om een andere reden essentieel. Voor mij rust het alternatief voor de neoliberale stadsontwikkeling op twee pijlers: een alternatief toekomstbeeld van de stad en de erkenning voor de kracht van de stad zoals die al is (‘geleefde stad’, ‘spontane stad’, ’stad zijn in plaats van stad willen worden’). Goed ontwerpend onderzoek boort beide kanten aan.
De neoliberale stedenbouw kun je alleen effectief bestrijden wanneer vernieuwende krachten (‘we bouwen aan een ander type stad’) zich verbinden met behoudende krachten (‘we verdedigen onze stad, buurt, gemeenschap en manier van leven’). Ontwerpers en onderzoekers die werken aan een betere wereld hebben oog voor conserverende krachten. Denk aan strijd tegen verbreding van een snelweg, behoud van een trapveldje, verzet tegen sloopplannen.

Die meer behoudende tegenkracht moet je als ontwerper opzoeken, al is het maar om je eigen realitycheck te organiseren. Zeker in de huidige tijd is die verbinding essentieel om de overal zich aanscherpende kloof tussen leefwerelden onderling en tussen leefwerelden en systeemwerelden te verzachten. Met name in de wereld van de buurt- en wijkaanpak en placemaking wordt die verbinding redelijk goed gelegd. Daar valt nog veel van te leren. Dat vergt van ontwerpers dat ze vergezichten en ontwerpen op een hoger abstractieniveau kunnen verbinden met de alledaagse leefwereld. Blijven dansen door de schalen noem ik dat.

Transitiearena’s inrichten
Wil je voorbij de neo-liberale stedenbouw komen dan moet je twee dingen doen: alternatieve praktijken organiseren en testen (de wereld van labs en stedelijke experimenten) evenals wrijving opzoeken en zaken op scherp zetten (de wereld van aanklagen, acties en het sleutelen aan/hacken van systemen). Vanuit de transitiekunde is er een methodiek ontwikkelt waarin beide samen komen: de transitiearena. Daar sluit je vernieuwende krachten kort op staande praktijk en zet je de zaken bewust op scherp. Ik heb zelf meer met die benadering dan die van de vrije experimentele ruimte omdat je de schuring en strijd actief moet organiseren om beweging te krijgen in taaie verhoudingen.

Ontwerpers en onderzoekers kunnen dan hun verbeeldingskracht verbinden met de intelligentie en betrokkenheid van vele anderen. Daaruit nieuwe collectieve kennis en actie halen is de meest duurzame manier van vernieuwing. De rol van ontwerpers zal daarin ongetwijfeld bescheidener zijn. In veel gevallen heb je niet zo veel aan een ruimtelijk ontwerp maar meer aan het ontwerpen van nieuwe spelregels, financiële modellen, relatienetwerken en acties.
Ik pleit er voor om het concept van ‘vrije ruimte voor gevaarlijke ideeën’ eens om te draaien: een gevaarlijke ruimte voor veilige ideeën. De meeste ideeën die in ateliers aan bod komen zijn breed geaccepteerd maar lopen de oude manier van stadmaken onvoldoende voor de voeten. Het wordt tijd om die botsing openlijker te laten voelen.

Al met al zou ik hen die (onderzoekend) ontwerpen aan betere steden willen adviseren om ook eens met concepten als actieonderzoek, de geleefde stad, maatschappelijke beweging en transitie-arena te spelen. Dan wordt het creëren van gevaarlijke plekken de komende tijd de norm en dat is hard nodig. Met ons lokale netwerk van Utrechtse Ruimtemakers komen we binnenkort met een aanbod aan de stad om daar een bijdrage aan te leveren. En uiteraard gaan we daarbij dankbaar gebruik maken van het IABR-atelier Utrecht, de gezonde stad en helpen om daar meer een transitiearena van maken. Daarover later meer.

 


Reacties

  • Christine schrijft op 10 juni 2016

    Ook al weer mee eens. Je beschrijft precies wat ik denk. Ik vind dat veel ontwerpers die zich gaan richten op sociale vraagstukken nog verdacht vaak uitgaan van de probleemhebber als object. Hij of zij ziet probleemhebbers onvoldoende als coproducent. En heeft weinig aandacht voor menselijke veranderprocessen. Dit is natuurlijk niet altijd zo. Maar aangezien social design zo lekker beheersbaar en hip klinkt, zullen ze vaker worden ingezet. Met alle gevolgen van dien. Ook de broodnodige tegenkracht wordt als last ervaren. Gezeur. Het is ook nooit goed. Een deep democracy aanpak, waarbij ook de geluiden van de anders denkenden worden gehoord zou een zucht van verademing zijn voor locale democratie. Het sluit ook aan bij het advies dat onlangs is uitgekomen over meervoudige democratie. Deep democracy is een vorm om daar naar toe te werken. Maar natuurlijk wel erg eng voor de gevestigde orde.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*