7 december 2017

Door Frans Soeterbroek

Reacties

1 reacties

Zeg het voort

“Van buiten naar binnen werken, allemaal leuk en aardig, maar waar blijft dan ons beleid?”

Afgelopen voorjaar schreef ik een verhaal over hoe je als gemeente via een gebiedsgerichte aanpak dichter op de samenleving je werk organiseert. Dat was op basis van ervaringen in Zaanstad en Zwolle. Ik ben in beide steden met dit thema verder gegaan en heb daarbij meegedacht over de vraag hoe je de wereld van stedelijke opgaven beter verbindt met de wereld van samen optrekken met de buurt. Of zoals we dat als titel aan een werksessie in Zaanstad meegaven: ’van buiten naar binnen werken, allemaal leuk en aardig,  maar waar blijft dan ons beleid?’ Die vraag komt voort uit de dagelijkse schuring tussen wensen van de buurt met verdichtingsopgaven, evenementenbeleid, parkeerbeleid, verkeersafwikkeling, binnenstadbeleid, vastgoedbeleid enzovoorts.
Een belangrijk issue, niet alleen omdat dat een ingewikkelde puzzel is maar ook omdat het een van de grote blokkades is voor een goede verstandhouding tussen burger en lokaal bestuur: vele pogingen van de gemeente om participatie te verbeteren maar de burger ervaart dat als het echt spannend wordt onder noemers als ’stedelijke opgave’, ‘strategisch beleid’ of ‘programmatische aanpak’ er ineens andere spelregels gelden en je inbreng er even minder toe doet. Ik heb in Zwolle, Zaanstad en andere steden vier sleutels gevonden om daar verstandig mee om te gaan en ik wil ze hier graag delen.

De dynamische analyse
Alles begint bij de vraag hoe je in kaart brengt wat er in de stad, wijk en buurt leeft en nodig is. Daar wringt ‘m vaak al de schoen: sectorale onderzoeken naar woningbehoeften, klimaatadaptatie, mobiliteit en economische vitaliteit kennen een taal, methodiek en netwerk die ver afstaat van de aanpak in wijken en buurten. Even een grove schetst: die plannen kenmerken zich door een expertbenadering, cijfermatige aanpak, abstracties en vergezichten, groot geld en het uitrollen van beleid. Buurt- en wijkactieplannen zijn vaak het tegenovergestelde: coproductie met bewoners, kwalitatieve insteek/beleving, concreet, bescheiden middelen, voortbouwen op wat er is.
Wil je dit dichter bij elkaar brengen dan moet je anders gaan analyseren, Beter leren ‘dansen door de schalen’ door sectorgewijze vraagstukken zowel op buurt-.,wijk-, stads- en regionaal niveau te bekijken en ook van beneden naar boven op te bouwen. En daarbij consequenter gebiedsgericht (en dus integraler) denken en werken. Dat helpt om tijdig aan te kunnen geven hoe wat er in buurt/gebied speelt zich verhoudt tot stadsbreed beleid. Waar wringt het en waar kunnen ze elkaar kunnen versterken?
De norm bij onderzoeken op elk schaalniveau moet ook zijn dat je de analyses en de opgaven samen met de bewoners en maatschappelijke instituties (corporaties, zorg, welzijn, ondernemerskring etcetera) opstelt en hen ook mede-eigenaar maakt van de aanpak. Dus geen expertbenadering voor grote vragen en een interactieve benadering voor dingen dichter op de straat. En in het verlengde daarvan:  geen grote afstand tussen de analysefase (meedenken) en de actiefase (meedoen of het ondergaan). Mobiliseer mensen i.p.v. ze alleen te bevragen.
Daarvoor maak je ook een ander type, meer dynamische of kwalitatieve analyse. Veel analyses bestaan uit beschrijving van problemen en de daaruit voortvloeiende opgaven (of wat ook vaak gebeurt: materiaal zoeken bij al vooraf gedefinieerde opgaven). Wat er weinig gebeurt is het beschrijven van de dynamiek en de kracht in een gebied. Wat zijn interessante netwerken en initiatieven in buurt en stad om op voort te bouwen en welke mensen vormen een brug tussen stedelijke issues en de buurt? En welke snelle acties en toezeggingen zijn gewenst om het vertrouwen in de buurt in de aanpak van de gemeente te versterken?’

 Bewegende kaders
De alom gebruikte bezweringsformule bij het verzoenen van gemeentelijk beleid met wensen vanuit de buurt is dat de buurt invloed krijgt ‘binnen de centraal vastgestelde kaders’. Dan gaat het om inhoudelijke, procedurele en financiële kaders. Bewoners hebben een haat-liefdeverhouding met die kaders: graag snel helderheid over wat wel en niet kan/moet maar geen kaders die er toe leiden dat onze invloed nihil is.
Eerlijk gezegd zijn die kaders meestal niet zo stevig. Een star doorvertaalde sectorale begrotingsparagraaf, multi-interpretabel ambities, vage voorwaarden, geen rekening houden met tegenvallers, onnodig dwingend, een wilde raadsmotie, knap lobbywerk enzovoorts. Met als gevolg dat er wordt gecommuniceerd over ‘heldere kaders’ terwijl ze achteraf toch niet zo hard of onomstreden blijken.
Het is eerlijker om die kaders als halfproducten te presenteren waar de dialoog met de samenleving nodig is om ze steviger of juist losser te maken.  Als kaders niet kunnen veranderen door een volwassen dialoog met burgers heb je een onvolwassen democratie. Maar dat is wel eng want o wee als je mensen het idee geeft dat kaders weer ter discussie mogen komen. Die angst daarvoor is onnodig paternalistisch. Slimme bewonersgroepen weten heus wel hoe het werkt. Ze spelen het spel mee onder formules als ‘ voor een goed plan is er altijd wel geld te vinden’,  ‘onder druk wordt alles vloeibaar’ of ‘bij raadsleden insteken voor de begrotingsbehandeling’.

Mijn advies is dat halfzachte van de kaders als kracht te zien: we hebben de samenleving echt nodig om te testen of ze houdbaar en concreet te maken zijn. Als het voor een buurt niet draagbaar is moeten we een andere oplossing vinden. Dat betekent dus niet dat je kaders overboord gooit maar ze blijft testen. In onderhandelingstheorie heet dit de ‘prikkeldraadgrens’: hier gaan we alleen overheen als we met elkaar vaststellen dat de kaders niet langer in deze vorm houdbaar zijn.

 De brede gebiedstafel
Een jammerlijk fenomeen in betrokkenheid van de burger is dat participatie meestal sterk verkaveld wordt georganiseerd. Je hebt omwonendenparticipatie voor concrete plannen, brede wijkparticipatie voor de wijkambities en stadsgesprekken en panels voor stadsbrede vraagstukken. En dan zijn er daarnaast weer aparte overlegtafels voor experts, marktpartijen, bestuurlijke partners en interne coördinatie. De grootste uitdaging bij het verzoenen van de wensen van de buurt en de stad is die werelden beter kort te sluiten. Buurtbewoners in gesprek brengen met mensen van elders uit de stad en regio, met de vakspecialisten en met andere belangen. Laat hen samen de analyses en aanpakken maken. En voorkom NIMBY-processen door mensen die in hun buurt geconfronteerd worden met verdichting in gesprek te brengen met de mensen die daarvan kunnen profiteren.  Het mag en moet juist schuren aan die tafels terwijl dat nu te vaak wordt vermeden door al die groepen apart te spreken, met uiteindelijk de gemeente als kop van jut.
Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan tijdelijke of meer structurele gebiedstafels waar al die belangen elkaar ontmoeten. Via gebiedstafels kun je de verkokerde werelden van beleid, stedelijke opgaven, stadsbeheer en wijkgerichte benadering kortsluiten en in contact met de stad te brengen. Verkokering doorbreek je via de band van buiten. Zet mensen die relevant zijn voor het formuleren/concretiseren van een opgave voor het gebied bij elkaar en maak hen samen ‘medeplichtig’ voor die aanpak. En uiteraard: organiseer dit zo vroeg mogelijk, in een fase dat de gemeente nog zoekende is en niet pas als er al heel veel is gebeurd binnen het stadhuis. Deze aanpak is overigens ook geschikt om doorbraken te organiseren bij impasses tussen wat de buurt wil en wat op basis van stedelijk beleid logisch lijkt.

Verleggen van geldstromen
Wat kwaad bloed zet bij bewoners en lokale ondernemers is dat het er soms op lijkt dat het grote geld vrij achteloos en inefficiënt wordt besteed en de veel kleinere bedragen waar een buurt een beroep op doet met heel veel voorwaarden worden omkleed.
Tientallen miljoenen naar stadsbeheer, welwijnswerk, zorg en activeringsbeleid met te weinig transparantie over wat het opbrengt terwijl een klein buurtinitiatief dat laat zien op al deze fronten iets te bereiken (‘meervoudige waardecreatie’) stuit op veel loketten. En ruimte voor zelfbeheer in de buurt wordt vaak ervaren als het afwentelen van problemen op de buurt doordat veel geld wordt besteed aan dure ontwikkelingen maar niet aan onderhoud en beheer.

De afstand tussen de beleidswereld en werken met de buurt gaat dus ook over verdeling van geld en transparantie daarover. Er zijn een paar stappen die je kunt zetten om die afstand te verkleinen. Allereerst inzichtelijker maken welke publieke middelen er allemaal door buurten en wijken stromen zodat zichtbaarder is waar geld aan wordt besteed en hoe je grote geldstromen kunt benutten voor wensen in de wijk. Ten tweede door geld ook veel meer gebiedsgericht in te gaan zetten en bewoners te betrekken bij de besteding daarvan. En tot slot om van de grote geldstromen substantiële budgetten af te zonderen die buurten zelf mogen besteden en/of waar maatschappelijke initiatieven een beroep op kunnen doen. Daarbij helpt het ook om experimenten die her en der plaatsvinden met buurt- en burgerbudgetten, leefbaarheidsfondsen, right to challenge en social return on investment meer body en samenhang te geven. Door geldstromen op deze wijze te verleggen breng je de wereld van de bewoners en van het grote beleid dichter bij elkaar. Het is in essentie een groeimodel richting gebiedsgericht besteden en bewonersbudgetten. Dat begint bij wat ritselruimte en kan uitgroeien tot een nieuwe financieel sturingsmodel dat sterk uitgaat van mederegie van burgers op de grote geldstromen. Met een zwaarder accent op maatschappelijk ondernemerschap en lokale economie.

Omdraaien van de beleidsketen
Nu hebben we dus vier knoppen om aan te draaien zodat de afstand tussen de grote stedelijke opgaven en algemeen beleid verkleint ten opzicht van het ‘van buiten naar binnen werken’ en samen met de buurt optrekken. Andere analyses, anders omgaan met je kaders, andere vormen van dialoog en anders omgaan met geld.  Je kunt pragmatisch kiezen aan welke knoppen je wil draaien afhankelijk van waar lokaal de tijd rijp voor is. Besef echter wel dat achter die instrumenten vrij principiële uitdagingen zitten. Het gaat uiteindelijk om de bereidheid van politiek, bestuur en organisatie om de stad mee te laten sturen op strategisch niveau, om belangrijke afwegingen in de samenleving te laten maken en niet alleen op stadhuizen, om consequenter gebiedsgericht te werken en om  de systeemwereld vloeibaarder te maken (dynamische analyse, bewegende kaders, verleggen van geldstromen). Het is in feite het ‘omdraaien van de beleidsketens’ door veel consequenter te sturen vanuit de haarvaten van de stad en je strategische beleid en je systemen van daaruit op te bouwen. Wanneer je niet bereid bent om op dat diepere niveau zaken te veranderen begin er dan niet aan om met deze instrumenten te werken want dan creëer je alleen maar teleurstelling. Maar stop dan ook met je te verwonderen over het blijvende onbegrip van de burger over de overheid. Want de gemeente die vooral blijft investeren in steeds weer nieuwe, te vrijblijvende vormen van participatie blijft die afstand reproduceren.

 


Reacties

  • Juliette Santegoeds schrijft op 8 december 2017

    Wat een goed stuk weer. Verhelderend en zo logisch dat je je afvraagt waarom het niet zo gebeurt en tegelijkertijd maak je met je stuk heel goed duidelijk waarom het niet zo gebeurt. ‘We’ zijn er niet zo goed in, in ‘dansen met de schalen’ en echt samen optrekken met burgers. Burgers worden vaak ook helemaal niet als burgers gezien.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*