12 juni 2017

Door Frans Soeterbroek

Reacties

0 reacties

Zeg het voort

Lessen uit Bologna

Vorige maand was ik in Italië en ik nam de kans te baat om me te verdiepen in de praktijk van samenwerken in en aan de stad Bologna. Ik ben vooral geïnteresseerd in steden waar lokaal initiatief niet in de marge plaatsvinden van de (sterk marktgestuurde) stadsontwikkeling en van de vernieuwing van de lokale democratie maar daar mee het fundament van zijn.
Ik had de indruk gekregen dat dat in Bologna het geval is. Christian Iaione en Sheila Foster die als onderzoekers bij de aanpak in Bologna betrokken zijn voeren in een wetenschappelijk artikel onder de titel ‘the city as a commons’ deze stad op als een laboratorium voor  ‘collaborative governance’ waar burgers de stad meemaken en meebesturen. Ze zetten het af tegen de neoliberale stadsontwikkeling die zwaar leunt op een hiërarchische overheid en marktwerking. Joachim Meerkerk en Iva Punyte bouwen daar in dit artikel met praktijkvoorbeelden uit Bologna op voort. En in dit boek van de European Cultural Foundation met hetzelfde thema staat een hoofdstuk over Bologna waar het lokale bestuur de cultuur van lokaal initiatief fundeert op 1000 jaar burgerinitiatief in stad en regio, zich onder meer uitend in een grote  coöperatieve sector. Mijn verwachtingen waren al met al hooggespannen. Ik heb drie initiatieven bezocht: Dynamo (fietshub in oude parkeergarage en schuilkelders), INstabile Portezza (revitalisatie van een 30 jaar leegstaand gemeenschapscentrum) en Le Serre die Gardini Margherita (co-werkplek , voedseltuin en restaurant).
En ik voerde gesprekken met mensen die het overzicht over de stad hebben: Michel d’Alena van het Urban Center en Francesca Spigarolo van de kennisorganisatie LabGov. Wat viel me daarbij op?

Allereerst viel op dat de stadmakerscultuur erg lijkt op die in Nederlandse steden: sociaal ondernemers en ruimtelijke professionals als aanjager van gemeenschapsinitiatieven, geld dat komt van kleine gemeentelijke subsidies, goede doelenfondsen en wedstrijden, gebouwen die tijdelijk om niet mogen worden gebruikt met als tegenprestatie dat de initiatiefnemers ze opknappen. En veel ‘zwaan kleef aan’ annex meervoudige waardecreatie. Zo wordt de fietshub van Dynamo gecombineerd met expositieruimte, café, biologische markt en evenemententaerrein. Le Serre is weer onderdeel van een groter initiatief Kilowatt met crèche, bioscoop, kunstexpositie en muziekpodium. INstabile kent ook de biologische markt en verbreedt de scope ook naar de publieke ruimte buiten het gebouw.


300 pacts gebouwd op een gedetailleerd reglement
Ten tweede dat de schaal waarop dit gebeurt groter lijkt als bij ons. Er zijn heel veel  initiatieven en er wordt samengewerkt tussen gemeente en initiatiefnemers om dat tot een succes te maken. Ter illustratie: er zijn de afgelopen 2 jaar 300 pacts gesloten tussen lokale initiatieven en de gemeente. Dat voor een stad van de omvang van Utrecht is behoorlijk imponerend. Die Pacts zijn weer gebaseerd op een regeling die de gemeente 3 jaar geleden in samenspraak met een werkgroep met lokale mensen en experts vaststelde:  ‘het reglement voor de samenwerking tussen stedelingen en overheid voor beheer en opknappen van publieke ruimten (‘beni communi urbani’). Hier de Engelse vertaling van deze maar liefst 30 pagina’s omvattende regeling die onder meer de volgende bepalingen kent:

  • periodieke publicatie door de gemeente van leegstand gemeentelijk vastgoed;
  • het gaat om tijdelijk gebruik (genoemd wordt een termijn van 9 jaar)
  • financiën moeten initiatiefnemers zelf opbrengen. Wel kan gemeente bijspringen in kosten voor materialen, verzekeringen, training, organisatiekosten en inhuur specialistische kennis.
  • aansprakelijkheid voor gebouw/publieke ruimte gaat over naar de initiatiefnemers en vrijwaart de gemeente;
  • verantwoordings- en rapportageplicht voor initiatieven;
  • recht van meerderheid van buurtbewoners en eigenaren van grond en gebouwen om een initiatief dat hen niet aanstaat tegen te houden;
  • recht van de gemeenteraad om bij grote initiatieven de voorwaarden te bepalen en toestemming te verlenen.

Het geheel wordt ondersteund door het lokale, onafhankelijk van de gemeente opererende, urban centre. Die is centraal gevestigd in de bibliotheek en heeft overigens een bredere taakstelling op het vlak van stedelijke vernieuwing dan het ondersteunen van initiatieven en bouwen van de Pacts maar verschuift de aandacht wel steeds meer in die richting. Ook interessant: op de gemeentelijk website is een hoofdpagina geplaatst waar bewoners hun initiatieven op kunnen plaatsen en steun daarvoor kunnen verwerven. En de gemeente gaat nu ook nog proberen om Europese subsidies toe te sluizen naar de gebouwen die door initiatieven worden opgeknapt.
Op zich een mooie infrastructuur voor het bevorderen van lokaal initiatief en de zorg voor het publieke domein waar we in Nederland een voorbeeld aan kunnen nemen. Alleen al de transparantie van het periodiek publiceren van lijsten met leegstaand en vrijkomend vastgoed zou in Nederlandse steden al grote winst zijn.

Waar is het nieuwe sturingsmodel voor de stad?
Maar ik was ook wel teleurgesteld. De regeling gaat feitelijk niet over het realiseren van een meer collectief bestuurde en gemaakte stad maar over de voorwaarden waaronder initiatieven tijdelijk gebruik mogen maken van leegstaande gebouwen en (verwaarloosde) openbare ruimte. Het is een mooie regeling voor start-ups en prille buurtcommunities en de 300 pacts maken ook duidelijk dat hier in een behoefte wordt voorzien. Maar ik vond geen aanknopingspunten voor iets wat dieper gaat: een nieuw of juist 1000 jaar oud democratisch sturingsmodel voor de stad, het verduurzamen van initiatieven, het werken aan een ander waardecreatiemodel waarvan stedelingen profiteren, het ontstaan van nieuwe coöperaties of het verleggen van publieke geldstromen naar buurten en collectieven. Van het model van de ‘right to challenge’ (als buurtinitiatief aanspraak kunnen maken op publieke gelden) waar ook Nederlandse steden mee experimenteren had ook niemand hier ooit gehoord en zoiets bestaat hier niet.
Michel d’Alena had berekend dat met een investering van een miljoen euro in deze initiatieven via het Urban Centre 40 miljoen aan waarde wordt gecreëerd. Maar daar wordt niet de conclusie uit getrokken dat er een fundamenteel ander waardeontwikkelingsmodel voor de stad moet worden ontwikkeld waarbij stadsbewoners profiteren van de door hen gecreëerde waarde.

Neem de fietshub van Dynamo: het succes is zichtbaar groot en de strategische ligging vlakbij het station draagt daar erg aan bij. Maar zo werd me nuchter verteld, we hebben deze plek via een wedstrijd gekregen voor 5 jaar en dan komt er via een nieuwe competitie weer een ander in. INstabile (de naam zegt het al) heeft zelfs geen enkele garantie op voorzetting van het initiatief terwijl er veel geld tijd en energie wordt gestoken om het verwaarloosde gemeenschapscentrum in ere te herstellen.
Zonder pogingen initiatieven te verduurzamen en zeggenschap over geld, grond en vastgoed te herverdelen wordt het veel geprezen reglement vooral een slimme strategie van de stad om tegen hele lage kosten verwaarloosde panden en gebieden weer op orde te krijgen met als win-win formule dat initiatiefnemers makkelijker een tijdelijke plek en ondersteuning bij hun professionalisering kunnen vinden.

Het doet er pas toe als het schuurt
D’Alena vertelde ook eerlijk dat de aanpak van het Urban Centre naar twee kanten nog met wantrouwen wordt bekeken: vanuit de stad en vanuit de ambtelijke organisatie. Dat eerste heeft deels te maken met het algemene gebrek aan vertrouwen in politiek en overheid (nog wel wat dieper in Italië als bij ons) maar ook met de activistische cultuur in de stad met een behoorlijk heftige geschiedenis van protest en bezettingen.  Daar zit een lastige paradox. Enerzijds wordt gesteld dat dit soort initiatieven hard nodig zijn om de kloof met de burger te dichten en lokaal initiatief te honoreren anderzijds heeft zo’n Urban Centre een imago, taal en benadering die veel activistische of juist minder betrokken stedelingen (nog) niet herkennen als iets van en voor hen.

Volgens een van mijn gesprekspartners gebeuren de spannendste dingen op dit moment in  Napels en Palermo. Daar smeden de gemeentebesturen nieuwe coalities met activistische groepen in de stad die zich gebouwen en gronden hebben toegeëigend. Het zijn ook de 2 steden waar onder aanvoering van moedige burgemeesters de strijd tegen de invloed van de maffia en de strijd voor een humane behandeling van migranten wordt aangegaan. Hoewel de situatie in die steden sterk verschilt van Bologna bedacht ik me dat dit precies is wat ik bij Co-Bologna mistte: een gevoel van urgentie dat er iets belangrijks op het spel staat wat dwingt tot een ander samenwerkingsmodel in de stad, het opzoeken van de wrijving met bestaande machtsstructuren, bondjes sluiten met de meest eigenzinnige groepen in de stad  en het bouwen van iets wat op een lokale beweging lijkt.
Als je die spanning niet opzoekt en activeert worden concepten als ’de stad als laboratorium’  en ‘the commons’ al snel een marketingtool voor de stad en een speeltuin voor professionals.

De stad als arena en levend netwerk
Ik verliet Bologna in verwarring. Ik was onder de indruk van de dynamiek en zag dat het helpt om heldere spelregels te maken waar ook de gemeente zich aan moet houden. Wat  los wordt gemaakt met die 300 Pacts kan zeker wel bijdragen aan iets groters en diepers. Vooral als we het met andere ontwikkelingen verbinden. Zo is Bologna sinds een paar jaar ook bekend als bakermat van de ‘social street’ , een spontaan initiatief van een nieuwe bewoner van de stad om zijn buren beter te leren kennen dat een groot sneeuwbaleffect heeft gehad. En als we daar allerlei ongecoördineerde en meer schurende acties rond leegstand, de behandeling van vluchtingen, onderwijs, beperken van de macht van de maffia, humaner politieoptreden etcetera bij optellen dan kan dat zeker iets worden wat lijkt op dat idee van de ‘collaborative city’.  Dat sterkt me in het idee dat vele kleine veranderingen samen iets groters teweeg kunnen brengen en dat het niet te voorspellen is of en hoe dat gebeurt laat staan te coördineren.  Dat is precies waarom ik niet zo blij ben met zo’n term als ‘de stad als laboratorium’. Zo’n klinische en modieuze benadering zal er niet in slagen die breder dynamiek te omvatten of de zo gevreesde vertrouwenscrisis tussen burger en bestuur te doorbreken. Misschien moeten we om te beginnen die laboratorium-metafoor vervangen door  die van de stad als arena, agora, bouwplaats, levend netwerk of voor mijn part theater. Dat doet meer recht aan de grillige dynamiek van het ontstaan van nieuwe democratische praktijken in de stad.  En daarmee vermijd je het beeld dat de ‘collaborative city’ iemands laboratoriumexperiment is.

Wanneer we inzoomen op het bouwen aan nieuwe modellen voor democratie en waardecreatie tussen overheid en burger vond ik het allemaal wat mager in Bologna. Het lijkt meer op het bestendigen van de  cultuur van tijdelijke initiatieven dan op een doorbraak in de verhoudingen en in de praktijk van stadsontwikkeling. Zeker wanneer je de pretentie hebt dat je aanpak gebouwd is op 1000 jaar burgerinitiatief verwacht ik toch iets meer fundament te vinden voor die ‘collaborative city’. Maar gelukkig hebben we genoeg munitie in eigen land om in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 en de invoering van de omgevingswet daarover ons eigen debat te voeren. Want die ‘co-city’ met een volwaardige rol voor burgers naast de overheid en de markt is en blijft een interessant wenkend perspectief.

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*