Een kleine cursus organische gebiedsontwikkeling

Al enige jaren is organische gebiedsontwikkeling ‘hot’ in ruimtelijk en stedenbouwkundig Nederland. Toch ontstijgt het niet het niveau van aanvulling op-, of  pauzenummer van ‘echte’ gebieds- en stadsontwikkeling. Het gaat vooral over tijdelijk gebruik van braakliggende terreinen en leegstaande panden,  uitgeklede gebiedsplannen, planning zonder eindbeeld en het creatief sprokkelen van geld. Op zich is er niets mis met deze nuchtere benadering van de crisis maar het ontneemt toch een beetje het zicht op wat organische ontwikkeling ook kan en moet zijn: symbool voor een nieuw paradigma van ruimtelijke en stedelijke ontwikkeling. Zo’n fundamenteel nieuwe benadering verdient het om diep in beleid en praktijk door te dringen. En dat valt in de praktijk nogal tegen. Hoe ziet een gebiedsproces dat wel die allure heeft er dan uit?

Wanneer we organische gebiedsontwikkeling serieus nemen dan moeten we het even hebben over het Engelse begrip dat vaak als synoniem  wordt gebruikt: ‘slow urbanism’. Dat gaat in essentie over drie samenhangende zaken: meebewegen met het ritme van de stad(sbewoners),  bescheidenheid in ambities van de overheid en de rust om de tijd zijn werk laten doen. In zijn extreme vorm gaat het over gebiedsontwikkeling zonder programmering, planmatige ingrepen of samenhangend gebiedsproces. Jurgen Hoogendoorn en Herman Swen hebben daar op Ruimtevolk een paar mooie verhalen over geschreven op basis van de casus Zaan/IJ-oevers. Zie hier en hier.

Die inzet op ‘slow urbanism’ raakt meestal zoek wanneer  mensen bij elkaar gaan zitten met de ambitie om een (verloederd/gefragmenteerd/kansrijk/strategisch liggend/…) gebied ‘in beweging te krijgen’. Elke gebied heeft wel een bijzondere historie en cultuurhistorische waarden waarop kan worden voortgebouwd, interessante plekken voor creatieven, een uitstralingseffect naar- of verbinding met een groter gebied, kansen voor tijdelijke functies en voor combinaties van functies, plekken voor bijzondere woonmilieus, markante gebouwen of landmarks, kansen voor horeca en vertier enzovoorts, enzovoorts.  Al die kansen maken onrustig en ongeduldig en dan is er al snel weer de roep om urgentie, visie, keuzes en kaders vanuit de gemeente en de roep om ontwikkelaars en investeerders die ‘het gebied gaan aanjagen en trekken’. En voor je het weet zit je weer in de klassieke overambitieuze topdown gebiedsontwikkeling.

De kunst is het midden te vinden tussen ‘slow urbanism’ in de ware betekenis van het woord en ‘aanjagen van het gebied’. Ik noem dat de strategie van ‘meebewegen en ombuigen’. Mijn inziens kun je dat op alle gebieden toepassen of ze nu hoog- en laagdynamisch zijn en of het nu hoog- of laagconjunctuur is. Het gaat om een basishouding van  respect voor hoe de stad zich spontaan ontwikkelt en om een democratische houding: grond, gebouwen, de publieke ruimte en de lokale overheid zijn ons collectieve domein. Als oefening heb ik deze benadering met terugwerkende kracht toegepast op het stationsgebied in Utrecht: hoe zou dat er uit hebben gezien wanneer we de benadering  van slow urbanism daar hadden toegepast? Lees hier het verhaal dat ik daarover voor Aorta schreef.

In mijn werk heb ik  vier praktische aanknopingspunten gevonden om organische ontwikkeling maatgevend te laten zijn voor stedelijke ontwikkeling. Hier komen ze.

1- inrichting van een gebiedsatelier en organisatie van een gebiedsfestival

Al enige tijd ben ik betrokken bij gebiedsontwikkeling in de regio Kampen-Zwolle. Daar passen we principes van organische gebiedsontwikkeling toe bij het gebied rond het oude station van Kampen.  Cruciaal is het in gang zetten van een gebiedsproces waarin  vanuit het betrokken gebied zelf wordt gewerkt. Met het oog daarop  wordt een gebiedsatelier ingericht en een gebiedsfestival georganiseerd.  Beide instrumenten worden ingezet om meer mensen te betrekken bij de ontwikkeling van het gebied, nieuwe verbindingen te leggen,  verhalen over het gebied op te halen en reuring rond het gebied te organiseren. Dit alles in het besef dat ontmoeting, kruisbestuiving, gedeelde  betekenisgeving en besmettelijk optimisme onmisbaar zijn bij de ambitie van lokaal gedragen gebiedsprocessen. Op deze wijze ontstaat een levend netwerk rond een gebied zonder dat er ambitieuze gebiedsvisies en concrete plannen hoeven te liggen of al coalities zijn gevormd.

2- De informele gebiedsmakelaar

In bespiegelingen over de nieuwe gebiedsontwikkeling duiken  vaak de projecten Meer Merwede in Utrecht en Glamourmanifest in Amsterdam op. Daar hebben jonge ambitieuze mensen zich spontaan opgeworpen als informele gebiedsmakelaars. Die aandacht is terecht omdat zij zijn gesprongen in het gat dat valt wanneer de gemeente geen regie en urgentie op een gebied organiseert. Zo’n informele gebiedsmakelaar is precies de formule die past bij  de ontspannen aanpak van organische gebiedsontwikkeling. Het helpt wel als deze makelaars maatschappelijk ondernemerschap laten zien; iets voor de gemeenschap willen doen en slim ondernemend zijn. Gemeenten doen er goed aan meer van dit soort initiatieven uit te lokken en actief te experimenteren met deze formule.

3- Sturen met de gebiedskatalysator en speldenprikken

Het is de vurige wens van iedere  ontwikkelaar en gemeente, die ene ingreep te doen of partij te vinden die als katalysator en magneet werkt. Dan volgen er meer schapen over de dam en wordt het gebied echt ‘hot’. Organische ontwikkeling werkt eigenlijk ook zo met 1 verschil: het gaat er hier niet om een programma vol te krijgen maar om een proces te krijgen waarin meer mensen met plezier en liefde naar het gebied kijken en er hun tijd, geld, ziel en zaligheid in willen stoppen. Hotel New York in Rotterdam is daar natuurlijk een iconisch voorbeeld van met zijn verwijzing naar het rijke verleden  en zijn sfeer van bijzondere pleisterplaats voor reizigers.  Niet alle gebieden hebben het geluk een hotel New York te hebben maar een kleinere speldenprik door het maken van een pleisterplaats met een wat ruige en informele uitstraling doet vaak al wonderen. Sowieso is zo’n speldenprik een mooi compromis tussen een gebied zijn gang laten gaan en een gebied programmeren.

4- Spelen met de tijd als ontwikkelstrategie

Tijdelijkheid is op dit moment het defensieve antwoord op de crisis in gebiedsontwikkeling. Als een soort kraakwacht wordt aan creatieve ondernemers de kans geboden om gratis of tegen geringe vergoeding een plek te gebruiken en te beheren tot de markt weer in beweging komt. En dan is het einde oefening. Zie bijvoorbeeld de discussie die is ontstaan over het Schieblock in Rotterdam.
De komende jaren zullen we nog vele voorbeelden gaan zien van mooie initiatieven die de wacht worden aangezegd door gemeenten en (andere) eigenaars.
Bij organische ontwikkeling vervult tijdelijkheid een andere functie: die van experimenteerruimte. Gewoon uitproberen of een initiatief levensvatbaar is en kan groeien of transformeren. Dat vergt zeker van gemeenten dat ze zich meer dan nu gecommiteerd voelen aan mooie kleinschalige initiatieven als de nieuwe dragers van gebieden.
Feitelijk praten we hier over een strategie van tijdloosheid. Alles wat je uitprobeert kan groeien tot iets stabiels, kan zich transformeren of kan mislukken. Bij een benadering van ‘slow urbanism’ is een gebied ook nooit af en dan  vervaagt het onderscheid tussen tijdelijk en permanent. Het gaat dan meer om de kunst met de factor tijd te leren spelen in plaats van met statische beelden over tijdelijkheid te werken.

Ik ben er van overtuigd dat we met deze instrumenten ( gebiedsatelier, gebiedsfestival, gebiedsmakelaar, gebiedskatalysator en spelen met de tijd) iets praktisch in de hand hebben om organische gebiedsontwikkeling meer te laten zijn dan bij- of pauzeprogramma in de stedelijke ontwikkeling. Probeer het zelf eens zou ik zeggen.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*