Hoe besmet je megaprojecten met nieuwe visies op leefbare steden?

Er zijn van die weken dat een thema voor een nieuw blog zich vanzelf opdringt. Vorige week maandag was ik in Utrecht op een door architectuurcentrum Aorta georganiseerde avond over de westkant van het megaproject Stationsgebied. De discussie ging vooral over de vraag hoe je dat gebied tot leven brengt nu het lastig wordt alle grootschalige plannen te realiseren. Markant voorbeeld is het Westplein waar de projectorganisatie van het stationsgebied samenwerkt met de organisatie ‘lombok centraal’ om het gebied een tijdelijke invulling te geven. Diezelfde week las ik in het vakblad Rooilijn een verhaal over  hoe in het megaproject van de Zuidas gepoogd wordt om naast de complexe planningsaanpak (‘exploitatie’ genoemd in het artikel’) een aanpak te ontwikkelen die meer creatief en vernieuwend is en waarbij op zoek wordt gegaan naar nieuwe impulsen voor het gebied (‘exploratie’). Als voorbeeld werd het project 15×15 genoemd. Dat betreft de ambitie om  in 2015 15 impulsen aan de Zuidas te hebben gegeven waardoor het een levendig gebied is en niet alleen een zakendistrict dat s’avonds en in het weekend uitgestorven is. Beide voorbeelden geven aan dat bij de megaprojecten in de steden gezocht wordt naar manieren om kleinschalig organisch denken en leefbaarheid te verbinden met de wereld van glas, staal en beton. Maar in mijn waarneming blijft dit nog te marginaal.Dan kan en moet anders.

Toen ik vorige week weer eens de plaatjes zag van de nog steeds overeind staande ambities voor het stationsgebied in Utrecht schrok ik echt van de kilheid, de overdaad aan glas en beton en het ontbreken van een menselijke maat. Het is nog steeds de droom van ontwikkelaars die als een ufo midden in de stad landt. Veelzeggend is dat de links op de website van dit project alleen maar verwijzen naar mega-stationsprojecten elders in Europa en niet naar wat er elders in de stad plaatsvindt of naar andere benaderingen van stadsontwikkeling.
Dit type projecten en programma’s hebben een paar nare trekken die dit in de hand werken. Veel te optimistisch planningen en scenario’s waarin kans- en wensdenken samenvloeien, fixatie op de gelden van het rijk en marktpartijen waardoor de plannen altijd groots en meeslepend moeten zijn en niet op tijd worden bijgesteld, een sterke gerichtheid op vastgoed als motor voor gebiedsontwikkeling en te weinig oog voor het maken van interessante en leefbare plekken (‘placemaking’). In de lokale bestuurlijke cultuur bestaat ook de neiging om deze projecten af te schermen van het politieke en het maatschappelijke discours van alledag. Zo heb je in Utrecht wethouders voor ruimtelijke ordening en openbare ruimte die actief bezig zijn met een andere filosofie om de stad te ontwikkelen maar die mogen zich juist weer niet met de megaprojecten Stationsgebied en Leidsche Rijn bemoeien want daar is een aparte programmawethouder voor.

Door dit alles worden magaprojecten ook nooit van de stad en roepen ze nog steeds weerstand op. Mensen willen niet in een permanente bouwput leven, weinigen worden  warm van de plaatjes en maquettes met veel  glas, beton en asfalt en er is veel scepsis over gemeentebesturen die de burger laten opdraaien voor grote financiële risico’s met bouwgrond en vastgoed.  De leefbaarheidspartijen die 15 tot 10 jaar geleden opkwamen hebben  daar eigenlijk weinig in veranderd. De economische en financiële crisis bij gemeenten doet dat op het oog meer maar nog te weinig.  De hamvraag:  hoe kun je zorgen dat nieuwe paradigma’s voor stedelijke ontwikkeling (spontane stad, organische ontwikkeling, zelfbeheer, wijkaanpak, duurzame stad, placemaking enz.) doordringen in de wereld van de megaprojecten en meer zijn dan  aankleding van kille projecten of pauzenummer voor de grote programma’s die even in de wachtstand staan? Een aantal adviezen om dit dichterbij te brengen.

1- Vernieuwende initiatieven die bedoeld zijn om programmatisch en grootschalig bouwen aan te vullen met kleinschalig en organisch ontwikkelen moeten binnen grote stedelijke programma’s geïntegreerd worden en niet weggestopt in  ‘vrijplaats’ of ‘experimenteerlab’ in de marge van het programma of elders in de bestuurlijke organisatie. Het moet de traditionele aanpak besmetten en transformeren.

2- Binnen grote projecten en programma’s moet voldoende kennis van, en aandacht voor placemaking, planologische acupunctuur en landschapsarchitectuur gewaarborgd zijn zodat er niet alleen wordt getekend en gerekend aan zielloos glas, steen, beton en asfalt maar gewerkt wordt aan interessante plekken.

3–Concepten als tijdelijk gebruik, organische gebiedsontwikkeling en uitnodigingsplanologie worden niet gebruikt als pauzemuziek of gebiedsmarketing maar helpen om de programmatische aanpak te transformeren van bouwputdenken (‘over 20 jaar bent u van de overlast af’) naar denken en handelen vanuit kleine stappen waarin leefbaarheid van de stad zichtbaar en voelbaar blijft.

4- Initiatieven van derden die inbreken in, of schuren tegen de programma-aanpak dienen verwelkomd te worden als te honoreren bijdrage aan de toekomst van de stad en niet geannexeerd of onschadelijk gemaakt. De lokale overheid ziet er op toe dat initiatieven van ondernemende bewoners een belangrijke plek krijgen naast die van ‘de grote spelers’. Met het oog daarop bouwt ze gebiedsarena’s.

5- Binnen en buiten grote stedelijke programma’s en projecten moet een sterke tegenkracht worden ingebouwd voor de neiging kost wat kost vast te houden aan de mega-ambities. Dat begint al bij het gemeentebestuur (doorbreken van de non-interventiecultuur en volgzaamheid rond megaprojecten) maar je kunt ook denken aan panel met burgers en gezaghebbende dwarsdenkers en aan speciale sessies die gaan over de perverse effecten van het grootschalige wensdenken.

De samenwerking rond het Westplein in Utrecht en het project 15×15 op de Zuidas zijn bemoedigende aanzetten daartoe maar de echte omslag in denken moet nog plaatsvinden in de wereld waar men nog steeds droomt van meer glas, steen, staal, beton en asfalt.


Reacties

  • Carry Rosenblatt Limpens schrijft op 18 juni 2013

    Tijd voor raden van toezicht bij megaprojecten?

  • Carry Rosenblatt Limpens schrijft op 18 juni 2013

    Tijd voor raden van toezicht bij megapronecten met publiek geld?

  • Paul de Bruijn schrijft op 19 juni 2013

    We proberen in Arnhem een heel nieuwe aanpak van wijkonderwikkeling van onderaf. Een wijk is door de gemeente ‘vrij gegeven’ voor herontwikkeling voor minimaal 5 jaar door enkele ondernemende burgers. Geen gebouw, geen fabriek, maar een wijk. Heel uitdagend. Ofschoon het project pas 9 weken loopt zijn de eerste gemeenten al op bezoek geweest.
    Meer op: http://www.coehoorncentraal.nl


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*